6 rollen van beroepskrachten in sociaal-sportieve praktijken

item_left

item_right

6 rollen van beroepskrachten in sociaal-sportieve praktijken

Pieter

De meeste gekende beroepskracht in het ‘sport voor allen’-landschap is vermoedelijk de gemeentelijke sportfunctionaris of federatie-medewerker. Maar steeds vaker duiken er beroepskrachten op die werken in en vanuit stedelijke sportclubs of wat wij sociaal-sportieve praktijken noemen. Het gaat over basis- en opbouwwerk(st)ers die aan de slag gaan vanuit de vrije tijd. Door de inzet van deze “verenigingsondersteuners” of “sportopbouwwerkers” transformeren veel sportclubs tot sociaal-sportieve praktijken die ver buiten het klassieke hokje van een ‘sportclub’ te plaatsen zijn.

In dit artikel beschrijven we zes eigenschappen van professionals die we vandaag zien bij hybride sociaal-sportieve praktijken met kenmerken van sportverenigingen. Deze rollen benoemen is nuttig omdat het een aanzet kan geven voor een debat over hoe deze praktijken en hun betaalde beroepskrachten kunnen worden ondersteund. Daarnaast opent het ook het debat over hoe deze initiatieven zich kunnen verhouden tot de reguliere clubs die louter op vrijwilligers draaien.

Beeld uit de video Sport in de stad: de spelregels van morgen (hier te bekijken op Youtube).

Rol 1: Creatieve speler bij maatschappelijke uitdagingen

Ons (stedelijk) sportlandschap transformeert. Veel van deze veranderingen bevinden zich op het kruispunt van vier uitdagingen die vragen dat we met een nieuwe bril naar ons sportverenigingsleven en ‘sport voor allen’-beleid kijken: armoede, diversiteit, het ruimtegebrek en het institutionele doolhof. Op plekken waar deze vier uitdagingen zich het meest radicaal manifesteren, zien we ook radicale en tegelijk innovatieve antwoorden.

Hier ligt een belangrijke taak voor deze beroepskrachten. We zien dat veel beroepskrachten permanent inspelen op uitdagingen die de stad vandaag kenmerken. In het omgaan met de beperkte beschikbare ruimte in de stad is creativiteit nodig. Een aantal professionals zoeken hierbij samenwerkingsverbanden met scholen, andere beroepskrachten creëren nieuwe infrastructuur. Zo zijn er beroepskrachten in verschillende steden en gemeenten die schoolsportzalen verkennen als een plek voor een nieuw sportlokaal. Een ander voorbeeld is dat van een beroepskracht in Brussel die een zelf gelaste (de)monteerbare boksring maakte om zo ook buiten de clubmuren actief te zijn. Nog een ander voorbeeld uit Brussel is dat van een jiu-jitsu club die leegstaande garageboxen omtoverde tot een nieuwe sportzaal, als gevolg van een gedwongen verhuis.

Dezelfde creativiteit wordt ook aangewend in het bestrijden van het armoedeprobleem. Professionele ondersteuners zoeken naast de bestaande maar niet altijd toereikende systemen naar alternatieve vormen van financiering om niet in een penibele financiële situatie te komen. Tegelijk moet naast de betaalbaarheid het aanbod ook bruikbaar, beschikbaar, begrijpbaar en bereikbaar zijn. Hier ligt dus een grote uitdaging voor beroepskrachten die de tijd en mogelijkheid vinden om zich te verdiepen in creatieve en effectieve oplossingen.

Rol 2: Flexibele medewerker met veranderlijk takenpakket

De stad verandert snel. Dat zie je ook in de manier waarop sociaal-sportieve praktijken evolueren. Een aantal verenigingsondersteuners en sportopbouwwerkers in dit verhaal voerden oorspronkelijk veel taken zelf uit: lesgeven, promotie, kledij wassen, nieuwe infrastructuur bouwen,... Maar geleidelijk aan evolueerde hun club tot een collectief waarbij ook andere mensen een omkaderende rol opnamen. Met deze vergroting kwamen ook meer noden naar inhoudelijk en organisatorisch management. Plots kregen deze beroepskrachten daarom andere taken erbij: subsidies schrijven en opvolgen, de visie van de club bewaken, extrasportieve activiteiten uit handen geven en vrijwilligers coachen, een complexe ledenadministratie opvolgen,…

Het takenpakket van deze beroepskrachten is enkel in een juist perspectief te plaatsen door de fasering van deze initiatieven juist in kaart te brengen. Deze complexiteit maakt het dan ook moeilijk om hier een effectief ondersteuningsbeleid tegenover te plaatsen.

Bij een aantal buurtsportclubs groeide een evenement, workshop of lessenreeks uit tot een sociaal-sportieve vereniging, op vraag van jongeren naar meer perspectief. Ditzelfde veranderlijke patroon zien we ook bij de sociaal-sportieve experimenten die vanuit reguliere clubs ontstonden. Hier ontpopten ondersteuners zich als multitaskers die vaak een veelzijdige en veranderende rol opnemen die ver voorbij het aanbieden van sportlessen gaat. De ene maand wordt een kantine verbouwd, en enkele maanden later wordt gezocht naar nieuwe netwerken om een instroom tot te club te vergemakkelijken. In elke fase van de uitbouw van hun club als sociaal-sportieve praktijk nemen deze clubondersteuners een andere rol op.

Rol 3: De sportorganisator

Deze rol is misschien het meest zichtbaar. In veel sociaal-sportieve praktijken zijn het de beroepskrachten die zich met de kerntaak van de organisatie bezighouden: het organiseren van sport voor hun doelpubliek. In sommige gevallen geven beroepskrachten zelf les, in andere gevallen vormen ze zich om tot jeugdsportcoördinator die ervoor zorgt dat er aan sportieve kwaliteitsbewaking wordt gedaan. Wat ook opvalt, is dat er in veel praktijken aan sportieve innovatie wordt gedaan door de impulsen die beroepskrachten geven waardoor sporten zich maximaal moeten aanpassen aan het doelpubliek.

Rol 4: De sociale ondernemer

In een hyper-uitdagende omgeving waar armoede en schaarste aan ruimte en middelen zeer aanwezig zijn, is het verre van evident om als sportaanbieder je slag te trekken. Net daar zit een belangrijke rol voor een aantal beroepskrachten. We zien dat een aantal beroepskrachten veel kenmerken vertoont van de ‘sociale ondernemer’ die zich zo veel mogelijk ent op zijn doelpubliek. Opvallend daarbij is dat veel van deze clubs geleid worden met competenties die ook nodig zijn om een goede onderneming te leiden.

Bij het runnen van een club komen een groot aantal omkaderende taken kijken die organisatorisch en administratief geen evidentie zijn. Zeker gezien het doelpubliek (dat zich vaak ook in maatschappelijke en precaire situaties bevindt) is het uitbouwen van een gezonde onderneming geen gemakkelijke klus: probeer maar eens een financieel gezonde organisatie uit te bouwen als het merendeel van je doelpubliek in armoede leeft. Dat vraagt extra inspanningen.

Rol 5: De sociaal werker

Veel beroepskrachten nemen een uitgesproken rol op als sociaal werker. De sociale ambitie van deze praktijken is veelzijdig. Een greep uit de brede waaier van motivaties om dit werk te doen: mensen ondersteunen om hun weg te vinden, een vrijhaven uitbouwen waar mensen hun droom kunnen uitbouwen, een plek creëren waar mensen hun zeg kunnen doen en ook een leuke en veilige omgeving creëren om te sporten,... Deze beroepskrachten hebben een antenne-functie. Door hun terreincontacten dragen ze vaak bij tot een venieuwende kijk op sport en de maatschappij.

De legitimiteit van deze beroepskrachten zit ook in het feit dat ze een specifieke doelgroep bereiken. Vaak gaat het over stedelingen met een kwetsbare achtergrond. Al is dat in veel situaties niet uitsluitend het geval, en we horen we wel vaker dat het juist tot de clubvisie behoort om open te staan voor iedereen maar met een specifieke focus op kwetsbare profielen. Dat is ook de reden waarom deze praktijken door veel initiatiefnemers uitgebouwd worden tot een brede leeromgeving. Het omkaderen van vrijwilligers is in die situatie geen evidentie, maar des te belangrijker. Het vormt één van de belangrijkste sleutelaspecten van het sociale werk van veel sociaal-sportieve praktijken.

Rol 6: De netwerker

Professionals in sociaal-sportieve praktijken nemen een centrale rol op als spil in de uitbouw van een netwerk dat ten dienste staat van de ontwikkeling van kansen voor verschillende doelgroepen. De stad kent een groot aanbod aan voorzieningen voor haar inwoners. Vele inwoners vinden echter hun weg niet in dit brede kluwen. Hier nemen beroepskrachten een rol op door partnerschappen te sluiten die goed zijn voor hun doelpubliek. Het zoeken van allianties is daarbij van groot belang, omdat dit een manier is om zich als sociaal-sportief project te kunnen onderscheiden. Scholen nemen een essentiële rol op in dit netwerk.

In dit samenspel ontstaan unieke samenwerkingsverbanden die sociaal-innovatieve oplossingen bieden voor de vele maatschappelijke uitdagingen in steden. Deze samenwerkingsverbanden komen soms in de buurt van wat federaties of lokale sportdiensten zouden kunnen of willen voorzien, maar waarvoor ze niet altijd uitgerust zijn. 

De superprofessional bestaat niet

De zes rollen die we hier beschreven, hebben een belangrijke plaats in de jobs van veel sociaal-sportieve professionals. Afhankelijk van de fase waarin een sociaal-sportieve praktijk zich bevindt in haar ontwikkelingsproces, wordt één van de zes rollen steeds belangrijker in het beroepsprofiel van veel professionals. Geen enkele beroepskracht voldoet vandaag volledig aan alle beschreven rollen, en we zien ook veel professionals botsen op één of meerdere van deze rollen, terwijl ze uitblinken in een andere rol. De superprofessional bestaat niet. Dat is logisch, want de ondersteuning in het kader van deze rollen is vrij miniem. Als we de expertise van alle gekende sociaal-sportieve praktijken vandaag naast elkaar leggen, zien we heel wat rijke kennis. Maar die kennis is op dit moment sterk verspreid, gefragmenteerd en soms ook geconcentreerd bij de beroepskrachten zelf.

Valoriseren en kennis delen

Een mooie volgende stap zou kunnen zijn dat we de bestaande kennis valoriseren en in kaart brengen. Zo zouden ook andere beginnende en worstelende praktijken met deze bestaande ervaring aan de slag kunnen gaan. Een gericht ondersteunings- en vormingsoffensief, waarbij de reeds bestaande kennis in ons sociaal-sportieve landschap centraal staat, kan bijdragen aan een enorme kwaliteitsinjectie. Een andere te overwegen piste is het ontwikkelen van een overkoepelende structuur waar al deze professionals terecht kunnen met vragen. Die structuur kan dan ook een plaats zijn om kennis te delen en innovatie op te schalen. Van hieruit zou ook de vertaalslag kunnen gemaakt worden naar een bovenlokaal ‘sport voor allen’-beleid dat weet in te spelen op diverse hedendaagse en toekomstige maatschappelijke uitdagingen.

Dit blogartikel maakt deel uit van de blogreeks 'Sociaal-sportieve praktijken' en is gebaseerd op de bevindingen van een essay dat geschreven werd door Demos-medewerker Pieter Smets. Het essay kwam tot stand via een samenwerking en met de steun van VUB-onderzoeksgroepen Sport & Society, RHEA en Brussels Centre of Urban Studies. Onderzoeker Rein Haudenhuyse werkte actief mee aan het essay.

Vorig artikel in deze reeks: De stad als labo van sociaal-sportieve innovatie

Meer info of vragen? Mail naar Pieter Smets: pieter.smets [at] demos.be

In samenwerking met: