Achter 'onschuldige' mascotte schuilt meer dan stereotiepe beeldvorming

item_left

foto (c) kurt_saenen

item_right

Achter 'onschuldige' mascotte schuilt meer dan stereotiepe beeldvorming

kris

Sinds jaar en dag gebruikt een scoutsgroep een stereotiepe afbeelding van een zwart-Afrikaanse jongen als mascotte voor haar ‘oerwoudfuif’. Dat zo’n afbeelding niet onschuldig is, weten we al langer. Het werd al eerder aangeklaagd, onder meer door schrijfster Dalila Hermans. Dat zo’n mascotte nog steeds argeloos gebruikt wordt, maakt pijnlijk duidelijk dat lang niet alle lokale jeugdgroepen weten hoe ze op een correcte manier met diversiteit moeten omgaan. Maar dit incident legt ook de moeilijke verhouding bloot tussen jeugdwerkkoepels en hun lokale afdelingen.

foto (c) kurt_saenen

Beeld van het nieuwe jaarthema 'inclusie' van de Scouts & Gidsen Vlaanderen - (c) Kurt Saenen

De redenen waarom de mascotte niet onschuldig is, zijn eerder uitgebreid aan bod gekomen bij discussies over het gebruik van de Zwarte Piet-figuur. We weten daardoor hoe sommige beelden schadelijke dieperliggende en vastgeroeste denkbeelden in onze samenleving kunnen bevestigen, ook al komen ze uit goede bedoelingen. Dergelijke beelden werken hinderlijk voor wie dagelijks moet opboksen tegen de vooroordelen die schuilgaan achter die negatieve beeldvorming.

Gelukkig groeit binnen de scoutsbeweging het besef dat zo’n mascotte niet op z’n plaats is in een superdivers Vlaanderen. Binnenskamers werd er al over gepraat, maar in het voorbije weekend deelde schrijfster Dalila Hermans via Facebook haar bedenkingen met de buitenwereld omdat tastbare actie in haar ogen uitbleef.

Reacties

Op zich is het een kleine moeite voor de scoutsgroep in kwestie om de mascotte te vervangen. De mascotte draagt niet wezenlijk bij tot de activiteit. De fuif zal even plezant zijn, evenveel volk trekken en evenveel geld in het laatje brengen als de groep een andere mascotte kiest. Als de groep zelf die beslissing had genomen, was ze er waarschijnlijk nog jaren fier op geweest. Elke generatie jeugdwerkers heeft zo een aantal concrete realisaties op haar palmares.

Maar als de vraag van buitenaf komt, bestaat de kans dat een soort ballorige koppigheid zich meester maakt van de jongeren in kwestie. De jonge leiding kan zich geraakt voelen in haar autonomie. Het is hun groep, hun fuif, hun mascotte,… Zij beslissen of ze breken met de traditie of niet. In een maatschappij waar alledaags racisme structureel is en structureel racisme alledaags, zal je zeker stemmen aantreffen die vinden dat een ‘vreemde’ hen niet de les moet spellen, of toch zeker niet in hun ‘eigen’ land.

De reactie van Dalila Hermans richt zijn pijlen – net als deze bijdrage, laat dat meteen duidelijk zijn – echter niet op de jongeren in kwestie. De vraag is eerder welke rol Scouts & Gidsen Vlaanderen als koepel dient op te nemen. Daar schuilen onder de oppervlakte van dit ogenschijnlijk kleine incident een aantal diepere, meer fundamentele en moeilijke uitdagingen.

In een reactie in de pers geeft de koepel aan dat ze begrijpt dat de mascotte kwetsend kan overkomen en dat ze hierover het gesprek aangaat met de jongeren. De beweging drukt de hoop uit dat de jongeren zelf tot inzicht zullen komen en de mascotte zullen verwijderen. Die kans lijkt reëel, maar de koepel laat wel in het midden hoe ze zal reageren als de groep besluit om vast te houden aan de mascotte.

Natuurlijk is deze pedagogische aanpak vanuit de koepel verdedigbaar en het is te begrijpen dat je geen dialoog opstart met de uitkomst al in je achterhoofd. Maar het steekt dat de koepel wel zeer terughoudend lijkt om een standpunt in te nemen en een duidelijke grens te trekken. De autonomie van lokale jeugdwerkers is natuurlijk een belangrijke waarde. Ze is fel bevochten en ze blijft, zeker in deze tijden, bijzonder precair. De druk is groot op koepels om via allerlei verboden en geboden ‘hun’ groepen in deze of gene richting te sturen en het is goed dat ze daar erg omzichtig mee omgaan. Maar tegelijk kan je je de vraag stellen waarom koepels soms wel en soms niet een duidelijke streep in het zand trekken. Een heldere (publieke) reactie kwam er pas nadat Hermans haar grieven deelde met de buitenwereld.

Geen prioriteit?

In dit dossier is dat misschien niet zo verwonderlijk. Schrijver Haruki Murakami vatte het al mooi samen: “If you belong to the majority, you can avoid thinking about lots of troubling things.” Het is nu eenmaal een van de vele witte privileges dat je niet echt hoeft wakker te liggen van een dergelijke stereotype beeldvorming. Misschien dat daarom zo'n incident niet meteen leidt tot een krachtdadige reactie?

Het past ook binnen een dieperliggende overtuiging binnen het jeugdwerk dat het thema diversiteit wegzet als een niche. Een sprekend voorbeeld van deze houding is de attestenregeling voor jeugdwerkers. Vlaamse jeugdwerkvrijwilligers die van de overheid een attest van animator ontvangen, moeten in principe een heleboel competenties kunnen aantonen. Omgaan met diversiteit hoort daar niet bij, zogezegd omdat niet alle jeugdwerkers met diversiteit te maken hebben. In Vlaanderen anno 2017? Waar moet je dan gaan wonen? Bewust worden van je referentiekader en je privileges maakt je nochtans een betere begeleider.

Tussen droom en daad

Dieper legt dit incident ook een interessant vraagstuk bloot over de verhouding tussen jeugdwerkkoepels en hun lokale groepen. De koepels inspireren en sensibiliseren hun groepen met een waardevolle pedagogische visie – ironisch genoeg is ‘diversiteit’ net dit jaar het centrale thema van Scouts & Gidsen Vlaanderen – maar ze hebben vrij weinig hefbomen of een tastbare strategie om die visie lokaal ingang te doen vinden. Natuurlijk moeten we erg voorzichtig zijn om allerhande pedagogische verwachtingen te projecteren op jonge vrijwilligers. Als geschoolde en omkaderde professionals (binnen onderwijs, kinderopvang en hulpverlening) al duidelijk hun grenzen aangeven als het gaat om omgaan met diversiteit, dan moeten we onze verwachtingen naar deze jongeren in perspectief zetten.

Maar er is wel een kloof tussen de pedagogische waarden en idealen waarmee de koepels van de jeugdbewegingen zichzelf in de kijker zetten en de effectieve hefbomen die ze hebben om die idealen in praktijk om te zetten. Koepels weten dit hopelijk ook wel, maar blijven – naïef of strategisch - hun ideaalbeeld naar voor schuiven. Als ze worden aangesproken op concrete resultaten, schermen ze met de draagkracht en de autonomie van lokale groepen. Zo blijven we rondjes draaien.

In onze publicatie ‘Niets meer dan gelijkheid’ over jeugdwerk en superdiversiteit gaven sommige jeugdbewegingen aan: geef ons tijd om onze afdelingen te leren met de veranderende samenleving om te gaan. Tijd krijgen ze, maar het blijft erg onduidelijk hoe ze die tijd concreet benutten. Dat sommige bevoorrechte getuigen zoals Dalila Hermans op den duur concrete acties verwachten, is niet onbegrijpelijk. Voor het integratietraject van mensen met een migratieachtergrond is onze samenleving veel minder mild.

We doen het zelf

Koepels staan mentaal en fysiek soms ver af van hun lokale groepen. Maar ook het plaatselijke netwerk waar vrijwilligers bij terecht kunnen voor vragen, ondersteuning of een kritische opmerking, is vrij beperkt. Zo opereren lokale jeugdgroepen steeds meer in een pedagogisch niemandsland. Wonderwel slagen jonge vrijwilligers er meestal in om op een schitterende manier en op eigen houtje de opgebouwde werking verder te zetten. Dat kunnen we niet genoeg benadrukken. Soms krijgen bepaalde tradities, zoals een mascotte, daarbij overdreven veel waarde. Maar wat als de uitdagingen verder gaan dan het verderzetten van de bestaande werking? Als de samenleving rond de groep verandert?

Voor de organisatorische omkadering van de werking, zoals de voorziening van lokalen of verzekeringen, laten jongeren zich makkelijker omringen en adviseren door anderen. Maar als het gaat om de pedagogische aanpak van de werking blijft input van buitenaf bijzonder gevoelig, ook al is er bij de jongeren zelf veel engagement om de uitdaging op te nemen. De vraag blijft dan hoe het pedagogische ideaal van de koepels en het concrete engagement van lokale vrijwilligers kan leiden tot concretere acties en meer tastbare resultaten op het terrein. Als het stof rond dit incident wat is gaan liggen, lijkt dat voor mij de vraag waar we niet langer omheen mogen dansen.