Anders georganiseerde sportverenigingen: pioniers van toekomstig sportbeleid?

item_left

item_right

Anders georganiseerde sportverenigingen: pioniers van toekomstig sportbeleid?

Pieter

In vorige blogberichten toonden we hoe een aantal sportclubs met een rijke traditie zich in de stad herbronden tot sociaal-sportieve praktijken. Tegelijk ontstonden ook allerlei sportieve zelforganisaties. Midden in al deze ontwikkelingen zien we ook een nieuw soort sportclub opduiken: de anders georganiseerde sportvereniging.

Een lessenreeks meisjesvoetbal op school evolueerde tot een grote meisjesvoetbalclub in Molenbeek,  een loopproject voor mensen in armoede groeide uit tot een sociaal sportieve loopclub met tentakels in de welzijnssector. Het zijn maar enkele voorbeelden van anders georganiseerde sportverenigingen die zich onderscheiden door hun groot extrasportief karakter en door een specifieke doelgroepbenadering. In deze verenigingen bewegen geëngageerde beroepskrachten zich vrij tussen het reguliere en anders georganiseerde sportaanbod.

Hoe het begon

Voor het ontstaan van dit nieuwe type sportvereniging gaan we even terug in de tijd. Sinds de jaren 90 initieerden lokale gangmakers een brede waaier aan ‘anders georganiseerde’ sportinitiatieven. Met de term ‘anders georganiseerd’ verwijzen beleidsteksten naar het beoefenen van sport buiten de sportvereniging die veelal geduid wordt als ‘georganiseerd’ of ‘regulier’. ‘Anders georganiseerd’ moeten we dan opvatten als een verzamelterm van allerlei laagdrempelige sportactiviteiten zoals buurtsport, schoolsport en sportkampen.

In de jaren 90 deed ook de term buurtsport zijn intrede in Vlaanderen. De Koning Boudewijnstichting wordt hierin vaak beschouwd als belangrijkste protagonist die toen twee specifieke werken rond deze thematiek publiceerde, in samenwerking met de Vrije Universiteit Brussel.  Buurtgerichte anders georganiseerde sportinitiatieven werden toen gezien als een middel tot sociale integratie. Dit was heel specifiek voor jongeren met een migratie-achtergrond die moeilijker de weg vonden naar lokale (sport)verenigingen. Deze evoluties moeten we kaderen binnen een ruimer maatschappelijk debat dat toen volop aan de gang was over de integratie van etnische minderheden.

Beroepskrachten

Nieuw voor het sportlandschap was dat beroepskrachten een specifieke rol toebedeeld kregen in een sector die tot voor kort grotendeels op vrijwilligers draaide. Terugkijkend zouden we hen kunnen beschouwen als ‘sportopbouwwerkers’, naar analogie met de buurt- en jeugdopbouwwerkers. De impuls voor de lancering van allerlei anders georganiseerde sportinitiatieven kwam hoofdzakelijk vanuit het middenveld. Deze evolutie deed zich reeds voor in het jeugdwerk met de oprichting van Werkingen Maatschappelijk Kwetsbare Jongeren (WMKJ’s), alsook in de cultuursector waar het geprofessionaliseerde sociaal-artistiek werk ontstond.

Maar ook in de sport werd geëxperimenteerd. In steden zoals Antwerpen en Brussel werden vzw’s opgestart die zich specifiek toelegden op het laagdrempeliger maken van (sport)activiteiten voor zogenaamde ‘kansengroepen’ zoals gezinnen met een laag inkomen, etnisch-culturele minderheden en mensen zonder papieren. Sommige organisaties ontstonden met een specifieke sportieve focus, anderen lieten de sport initieel voor wat die was, maar experimenteerden ‘en cours de route’ met de meerwaarde van sport. Dat zien we onder andere in het jeugdwerk of bij een aantal inburgeringsinitiatieven.

Parallel circuit

Vanuit diverse hoeken in het middenveld kwamen sinds de jaren 90 allerlei initiatieven die beroepskrachten inzetten in de organisatie van laagdrempelige initiatieven voor kansengroepen. Sport kreeg daar ook een plaats in. Terwijl veel sportclubs nog volledig op vrijwilligers draaiden, ontstond een parallel circuit met professionele werkkrachten die vanuit diverse hoeken een alternatief sportaanbod organiseerden voor een maatschappelijk kwetsbaar publiek op school, in het buurthuis of op pleintjes. Reguliere sportclubs waren oorspronkelijk in beperkte mate betrokken in dit andersgeorganiseerde aanbod en de daaraan verbonden inzet van beroepskrachten.

Tijdelijke toeleiding

Het ontwikkelen van laagdrempelige sportactiviteiten voor kansengroepen was een taak die in veel gevallen voorbehouden was voor anders georganiseerde sportinitiatieven die door beroepskrachten getrokken werden. In een ideaal scenario kon dit alternatieve sportcircuit een tijdelijke aanvulling zijn op het aanbod van onze stedelijke sportclubs. Een blik op de vele buurtsportinitiatieven toont vandaag een veelzijdiger beeld dan louter toeleidingsinitiatieven, maar als we kijken naar een aantal buurtsportinitiatieven uit de beginjaren, dan valt het op dat veel sportinitiatieven vaak gezien werden als een laagdrempelige opstap naar het reguliere sportclubcircuit.

Eén van de mogelijke motieven hiervoor was dat reguliere sportclubs die op vrijwilligers draaiden, niet overmatig beconcurreerd mochten worden door beroepskrachten uit de anders georganiseerde sportwereld.  Buurtsport diende dan te passen in een scenario van trajectbegeleiding tussen het individu en de sportclub. Dat blijkt ook uit een bevraging bij gemeentelijke sportdiensten in 2006, uitgevoerd door de Vrije Universiteit Brussel en het Vlaams Instituut voor Sportbeheer en Recreatiebeleid (ISB). Daarin kwam naar voor dat de doorstroming van de doelgroep naar sportclubs  gezien werd als de derde meest genoemde doelstelling van buursport. De andere twee hoofddoelstellingen die eruit kwamen waren het aanzetten tot sportdeelname en het bereiken van specifieke kansengroepen.

De grenzen van toeleiding

De moeizame start van het huwelijk tussen de reguliere sportverenigingen en de anders georganiseerde sportsector is deels te verklaren vanuit een logica waar beleidsmakers de sportvereniging wilden beschermen tegen oneerlijke concurrentie, een bezorgdheid die ook gedeeld werd door een aantal spelers uit het reguliere circuit. Tegelijk wou men niet raken aan het ‘sacrale’ vrijwillige karakter van de sportvereniging. Toeleiding leek daarbij een oplossing om dit spanningsveld te ontkrachten.

Geleidelijk aan stelden een aantal beroepskrachten aan de basis steeds meer vragen over de grenzen van die beoogde toeleiding. Dit debat draait fundamenteel over de draagkracht en competenties van vrijwilligers binnen de reguliere sportverenigingen. Professionals uit de anders georganiseerde sportsector stelden vast dat de beoogde toeleiding beperkingen vertoonde. Al waren er geslaagde voorbeelden bekend, toch bleek een groot aantal clubs (nog) niet klaar om zich open te stellen voor een nieuw en kwetsbaar publiek. Een deel van het bestaande aanbod bleek voor een aantal stedelijke groepen niet bruikbaar genoeg. Door het willen toeleiden van kansengroepen naar de sportvereniging, creëren we hierdoor misschien een valkuil tussen het anders georganiseerde en reguliere sportaanbod, in plaats van een springplank.

Anders georganiseerde sportverenigingen

In deze situatie ontstond de anders georganiseerde sportvereniging. Hoewel het niet met de oorspronkelijke toeleidingsvisie strookte, groeiden een aantal kortdurende anders georganiseerde activiteiten uit tot een duurzaam sportaanbod. Terreinwerkers experimenteerden met een duurzaam sportaanbod dat ook bruikbaar was voor kwetsbare doelgroepen. Enkele voorbeelden: een Braziliaanse ji-jitsuclub met een breed buurt- en scholennetwerk, een Brusselse boksclub met een specifieke focus op kwetsbare jongeren, een grootschalige circuswerking, of een catchclub die veel kenmerken vertoont van een jeugdwelzijnswerking.

Deze initiatieven ontpopten zich tot boeiende laboratoria voor praktijkinnovatie. Hierbij is een cruciale rol weggelegd voor de beroepskracht. Deze verenigingen ontwikkelen een scholennetwerk, leggen verbanden met (sociale) partners, werken aan een actief drop-outbeleid en vitaliseren de vrijwilligerswerking.

Een permanente bestaansreden

Anders georganiseerde sportverenigingen leggen een pijnpunt in het lokale ‘Sport voor Allen’-beleid bloot omdat ze een strikte scheiding tussen reguliere sportclubs en het laagdrempelige anders georganiseerde aanbod lijken op te heffen. Dit is hun sterkte, maar ook hun zwakte. Een aantal van deze verenigingen vindt geen structurele ondersteuning terwijl anderen die wel krijgen.  Dit stelt uitdagingen voor de subsidiëring en ondersteuning van deze verenigingen. Er ontstonden sportclubs die een permanente bestaansreden ambiëren: een vaste clublocatie en een vast statuut voor beroepskrachten.

Deze vaststelling opent de deur naar een debat dat tot op heden nog onvoldoende gevoerd is: hebben anders georganiseerde sportverenigingen een legitimiteit om permanent te kunnen bestaan? En hoe verhouden ze zich tegenover andere clubs die op vrijwilligers draaien? Onder welke voorwaarden en in welke context kunnen deze initiatieven het best gedijen?

Dit debat moeten we dringend voeren, te meer omdat ook vanuit de reguliere sportsector clubs ontstonden die, ondanks hun verschillende ontstaansgeschiedenis, in wezen veel gelijkenissen vertonen met deze anders georganiseerde sportverenigingen. Ondanks de precaire situatie van een aantal van deze sociaal-sportieve praktijken, hebben ze een groot maatschappelijk potentieel. Ze dragen misschien zelfs de bouwstenen van het toekomstige ‘Sport voor Allen’-beleid.

Zin om te zien hoe sportdiensten en -aanbieders succesvol omgaan met uitdagingen zoals diversiteit en armoede? Neem dan deel aan onze praktijktafel 'Sport breekt uit' op 20 oktober 2017. Info over deze praktijktafel vind je hier.

Dit blogartikel werd geschreven door onderzoeker Rein Haudenhuyse (VUB) en Demos-medewerker Pieter Smets. Het artikel maakt deel uit van de blogreeks 'Sociaal-sportieve praktijken' en is gebaseerd op de bevindingen van een essay . Het essay kwam tot stand via een samenwerking en met de steun van VUB-onderzoeksgroepen Sport & Society, RHEA en BCUS. 

Meer info of vragen? Mail naar Reinhard.Haudenhuyse [at] vub.ac.be of pieter.smets [at] demos.be.

Vorig artikel in deze reeks: Diverse sportclubs onder de radar

In samenwerking met: