Palhik Mana versterkt Brusselse vrouwen via terugspeeltheater

item_left

item_right

Palhik Mana versterkt Brusselse vrouwen via terugspeeltheater

Praktijk

“Als ik twee stappen naar voor zet en ik merk dat het niet gaat, dan ga ik weer twee stappen achteruit.”
(Sarah Avci, Palhik Mana vzw)

In 1999 trok Sarah Avci naar India in het kader van een stage rond vrouwenrechten voor de opleiding Intercultureel Management (CIMIC). Ze kwam er in contact met de methodiek van terugspeeltheater. Avci ontdekte de impact ervan, niet alleen op de vrouwen die hun verhaal deelden, maar op de hele gemeenschap. Na heel wat eigen experimenten en vormingen rond de methodiek is ze via een driejarig participatieproject kansengroepen nu zelf gestart met de toepassing van deze methodiek in Brussel, voornamelijk met vrouwen in een maatschappelijk kwetsbare situatie.

Terugspeeltheater is gestart in 1975 door Jonathan Fox en Jo Salas uit New York en wordt wereldwijd beoefend. Het is theater op basis van persoonlijke ervaringen uit het publiek. Dat kan om alledaagse gebeurtenissen gaan, maar ook om grote (levens)verhalen. Het is improvisatietheater. De spelleider nodigt het publiek uit om een persoonlijke ervaring te vertellen en de spelers - niet noodzakelijk professionelen - brengen het direct in beeld via uiteenlopende spelvormen.

Dēmos: Hoe kwam je op het idee om met de methodiek aan de slag te gaan in Brussel?

Avci: Toen ik naar India vertrok, was ik al ermee gestart met Femma in Brussel. Ik had heel wat ervaring in het begeleiden van diverse groepen. Bij terugkomst uit India heeft de methodiek me niet losgelaten. Ik ben zelf opleidingen gaan volgen, workshops gaan geven en heb me geëngageerd in een internationale theatergroep die met terugspeeltheater bezig was. Maar toen die uit elkaar viel, wilde ik de methodiek vertalen naar maatschappelijk kwetsbare groepen in eigen land omdat ik geloofde in de impact ervan.

Dēmos: Wat is die impact volgens jou?

Avci: Iedereen heeft verhalen en verhalen brengen mensen samen. Jouw verhaal kan iemand anders prikkelen om zijn verhaal te vertellen en wordt een gedeeld verhaal. Zo kom je tot gemeenschapsvorming. Terugspeeltheater is ook gewoon genieten, maar ik werk sterk op persoonlijke ontwikkeling. Ik wil mensen via het artistieke uit hun dagdagelijkse sleur halen en kansen bieden om hun eigen talenten te ontdekken en in te zetten in hun dagelijks leven. We zijn geen zelfhulpgroep, maar terugspeeltheater kan wel een therapeutisch effect hebben op iemand. Net zoals je dat kan hebben bij een theaterstuk of door te luisteren naar muziek.

Dēmos: Wie is je doelgroep en hoe bereik je die?

Avci: Ik werk vooral in Brussel met vrouwen uit maatschappelijk kwetsbare buurten. Ik wil net vrouwen bereiken die moeilijk te bereiken zijn omdat ik hun horizonten wil verruimen en hen wil confronteren met maatschappelijke thema’s. Dat is altijd mijn ding geweest. Natuurlijk kan het krachtiger en esthetischer zijn om theater te maken met professionelen. Nu zie je soms hun zenuwen of is hun spel wat kort door de bocht. Maar dat vind ik net mooi.

Ik bereik de vrouwen op verschillende manieren. Enerzijds ga ik zelf op zoek naar vrouwen door gewoon de markt op te gaan en op straat mensen aan te spreken. Dat is niet de makkelijkste manier want het woord theater schrikt af. Maar ik ga ook langs bij organisaties zoals het Brussels Onthaalbureau, Link=Brussel, Caleidoscoop, De Vaartkapoen, Merhaba,… om een samenwerking op te starten. Daarnaast heb ik ook een open groep op vrijdagvoormiddag die ik zelf heb opgericht.

Dēmos: Hoe ga je concreet aan de slag met die groepen? 

Avci: Elke groep heeft een eigen identiteit die maakt dat ik mijn methodiek telkens moet aanpassen. Voor ik met een groep begin, maak ik een soort mapping. Wie zijn de vrouwen met wie ik ga werken? Vanwaar komen ze? Mijn vrouwen komen vooral uit maatschappelijk kwetsbare buurten en de grootste groep is van Marokkaanse origine. Het is echt een zoektocht hoe ik kan inspelen op de noden en behoeften die leven in de groep. Ik bekijk hoe ik daarop kan inspelen. Ik werk op maat, dat wil zeggen op het niveau en het tempo van de deelnemers. Als ik twee stappen naar voor ga en ik merk dat het niet gaat, dan ga ik weer achteruit. Ik heb een zak vol oefeningen en als iets niet werkt, dan probeer ik iets anders.

Ik heb nu toevallig een groep in Mechelen met Syrische vluchtelingen die hier nog maar pas zijn. Dat wil zeggen dat ik een taalprobleem heb. Ik gebruik min of meer dezelfde oefeningen maar ik let erop om traag te spreken en schrijf heel veel woorden op het bord. Met deze groep werk ik sterk rond competenties en talenten. Omwille van hun specifieke situatie is het moeilijk hen toe te leiden naar de arbeidsmarkt. Ik probeer daar op een speelse en visuele manier rond te werken. De bedoeling is dat ze de laatste dag aan hun sociaal assistent kunnen vertellen wat ze kunnen en willen.

Dēmos: Hoe kom je er met een groep toe dat ze verhalen gaan delen en naspelen voor elkaar? Dat lijkt allesbehalve evident.

Avci: Ik werk graag rond maatschappelijke thema’s en luister wat er speelt in de groep waar ik mee werk. Zijn er zaken waar ze mee vastzitten? Ik reik zelf thema’s aan, maar wil ertoe komen dat zij zelf dingen durven aangeven. Dat neemt veel tijd en energie in beslag. Het duurt even voordat ze genoeg vertrouwd zijn met mij en met elkaar om zich een beetje bloot te geven. Ik zal nooit aan de deelnemers rechtstreeks naar hun problemen vragen. Dat werkt niet en bovendien wil ik aan de slag met hun kracht. Daarom vertrek ik van zaken die ze zich kunnen inbeelden, zoals elementen uit de natuur of emoties.

Ik leer de deelnemers ook dat je een verhaal niet letterlijk moet teruggeven. Veel van de vrouwen waarmee ik werk, zijn als kind niet gestimuleerd om hun fantasie te gebruiken. Terwijl het denken in metaforen heel belangrijk is bij terugspeeltheater. Ik ga soms ook naar buiten met de vrouwen en laat hen observeren. Wat valt hen op? Als iemand een verhaal vertelt, moet je ook letten op de mimiek en houding van die persoon.

Er is een simpel balspelletje dat ik vaak gebruik waarbij je een bal moet gooien naar iemand in de kring. Ik draai die oefening om. In plaats van eruit te vallen als je de bal niet hebt opgevangen, val je eruit als je de bal gegooid hebt. Dat frustreert de deelnemers meestal. Of het tikspelletje ‘Een is te weinig, drie is te veel’. Daarbij kan je iemand beschermen door die persoon een hand te geven, maar je mag nooit met drie zijn. Dan vraag ik naar situaties in hun dagelijks leven waarmee ze die oefening kunnen vergelijken. Wat ik met zo’n simpele spelletjes aan de deelnemers probeer duidelijk te maken, is dat er gedeelde verantwoordelijkheid en empathie nodig is. Ze leren ook zelfzeker en assertief zijn.

Dēmos: Hoe is jouw participatieproject precies opgebouwd? Waar wil je naartoe werken?

Avci: In de eerste fase van mijn project werk ik met verschillende groepen waarbij de focus ligt op het coachen van vrouwen in het spelen. In die fase zorg ik voor een heel brede instroom via laagdrempelige workshops. Met elk van die groepen werk ik naar een klein toonmoment toe. In een tweede fase wil ik met een kleinere groep vrouwen een theaterstuk maken met achteraf een nabespreking via terugspeeltheater. Ik wil ook enkele van de vrouwen kunnen opleiden om zelf spelleider te worden.

Ik merk dat ik nog niet sta waar ik zou willen staan, maar ik heb al heel veel ontdekt en geleerd. De oefeningen die ik doe met de vrouwen nemen veel tijd in beslag. Het duurt lang om vanuit een veilige context tot een extern toonmoment te komen. Daarom werk ik in tussenfases en leg veel verbindingen tussen de groepen onderling. De groep van dinsdag komt dan bijvoorbeeld samen met de groep van maandag en speelt voor elkaar. Ik leid de vrouwen ook toe naar andere culturele evenementen, zoals een voorstelling in het Kaaitheater. Ik wil stap voor stap hun horizon verruimen.

Dēmos: Hoe ziet zo’n toonmoment er precies uit? Wat kan het publiek ongeveer verwachten?

Avci: De format van zo’n toonmoment ligt min of meer vast. Als het publiek binnenkomt, doe ik eerst een sociometrie om te achterhalen wie ons publiek is. Ik nodig mensen niet meteen uit om naar voren te komen en hun verhaal te delen, maar stel vragen en laat hen handen opsteken. Welke leeftijdsgroepen zijn er? Wie komt er uit de buurt en wie van verder weg?  Dan bouw ik het op door bijvoorbeeld te vragen of het lastig was om naar hier te komen. Dat gaan we al even naspelen en dan geef ik mijn spelers een bepaalde vorm mee. Zij tonen bijvoorbeeld de frustratie van iemand om parking te vinden, met klank en beweging. Het publiek is dan al opgewarmd. Want bij het binnenkomen wil natuurlijk niemand zijn verhaal vertellen. Het is belangrijk om het ijs te breken. Door die opwarmers komen andere verhalen naar boven. En als ik voel dat er een langer verhaal in zit, nodig ik iemand uit op het podium.

Wat ik doe, is comfortzones openbreken op alle niveaus. Niet alleen voor spelers maar ook voor het publiek. Onze setting staat vast: publiek, spelers, muzikant en de spelleider. Er is ook altijd een muzikant bij, die de verhalen verklankt en muzikaal begeleidt. Al de rest is gebaseerd op improvisatie. De enige instrumenten of attributen die we gebruiken, zijn doorschijnende sjaals in alle kleuren. Een sjaal kan alles zijn. Zo gaven we het verhaal van een aidspatiënt ooit terug door een bol van kleurige sjaals uit elkaar te laten spatten. Die persoon was toen heel dankbaar omdat hij op een andere manier naar zijn ziekte kon kijken, vanuit iets moois. Zo raken we op een speelse manier heel moeilijke thema’s aan.