Mee doen is soms belangrijker dan mee kunnen. Zevenjarige voetballer met een beperking niet meer welkom in zijn ploeg.

item_left

foto_fcuitgeest

item_right

Mee doen is soms belangrijker dan mee kunnen. Zevenjarige voetballer met een beperking niet meer welkom in zijn ploeg.

Kris

Een artikel in de Standaard vandaag (DS 13 januari) maakt gewag van een zevenjarige jongen met een fysieke beperking die niet langer welkom zou zijn bij zijn 'reguliere' voetbalclub. Halfweg het seizoen kregen de ouders van het jongetje naar verluid een telefoontje van de club. Ze hebben geprobeerd, maar de jongen kan niet mee en houdt ook de rest van ploeg tegen om zich verder te ontwikkelen. Het is altijd een beetje tricky om af te gaan op de inhoud van een krantenartikel. Toch een aantal kleine bedenkingen.

Eerst en vooral moeten we toch nog eens bevestigen dat de sportsector en het sportbeleid de laatste jaren veel inspanningen hebben gedaan om sport voor mensen met een beperking verder uit te bouwen. Niet alleen op vlak van specifieke g-sport afdelingen of clubs, maar ook op vlak van een inclusief sportaanbod. Ten tweede: prestaties zijn een essentieel onderdeel van competitiesport, daar moeten we niet flauw over doen. Het incident uit de krant sluit echter aan bij een breed verspreide, spontane opvatting over mensen met een beperking die we ook terugvinden in het onderwijs, het jeugdwerk of in de muziekschool: mee kunnen is een voorwaarde om erbij te horen. En inderdaad, voor een aantal kinderen is dit (na verloop van tijd) het geval. Maar voor een aantal kinderen is meedoen, erbij horen belangrijker dan mee kunnen. En dat is jammer genoeg zo moeilijk te bevatten voor veel leerkrachten, jeugdwerkers of trainers. Dat mensen met een beperking hun eigen parcours kunnen volgen, op dezelfde plaats en samen met leeftijdsgenoten, maar anders dan de 'gemiddelde' jongere. Dat ze een eigen plaats kunnen krijgen in een klas of een jeugdgroep en dat niemand daar een probleem van maakt. Nee, dat gaat er bij veel mensen niet in. Zo gewoon zijn we om een homogene groep van a naar b te brengen. Zo moeilijk hebben we het met uitzonderingen of maatwerk. Een specifiek g-sportaanbod mag geen excuus zijn om deelname aan een 'regulier' sportaanbod te weigeren. Ook daar moeten kinderen met een beperking nog steeds een plek krijgen.

Wat we inderdaad ook vaak merken, en dat lijkt hier ook het geval, is een gebrek aan dialoog. Een bestuur, een directie of een verantwoordelijke maakt de inschatting dat een deelname niet (meer) mogelijk is, los van de beleving van de betrokkenen en deelt dit mee, via een mailtje of hoogstens een telefoontje. Zo moeilijk in gesprek kunnen gaan, dat is soms toch een beperking van heel wat goedmenende verantwoordelijken. Het recht op redelijke aanpassing vraagt nochtans niets anders. Een sportclub, school of jeugdvereniging hoeft niet in te gaan op elke vraag van een persoon met een beperking. Maar deze mensen verdienen wel een antwoord op maat en een persoonlijk gesprek. Dat is het absolute minimum. 

Eén positieve evolutie valt wel op. Personen met een beperking en hun omgeving worden mondiger. En dat is een goede zaak. Laat van je horen!