Don't you sometimes want to shake off your veil?

item_left

item_right

Don't you sometimes want to shake off your veil?

Artikel
Publicaties

De trein gemist

De grootste intellectueel van Vlaanderen, Em. Prof. Dr. Etienne Vermeersch, schreef een column. Niks nieuws onder de zon. Voor de honderdste maal klopt hij op zijn welbekende nagel: de hoofddoek is onderdrukkend en ondermijnt de neutraliteit van de Staat. Hij doet dat zoals steeds op een erg heldere, ‘rationele’ en onderbouwde manier. Deze keer scherpt Vermeersch zijn pen naar aanleiding van het principiële standpunt van de sp.a over het toelaten van religieuze of levensbeschouwelijke tekenen aan de loketten van de stedelijke overheid: “het hoofddoekenverbod” in de volksmond. Ook Groen-voorzitter Wouter Van Besien volgde in zijn spoor en spoorde de lokale overheden in de media aan initiatief te nemen. Vermeersch gaat in de aanval: “Het huidige voorstel zal voor lange tijd leiden tot een onheilzame verwarring en verharding van standpunten, naargelang van de politieke meerderheden in gemeenten en de plaatselijke meerderheden in scholen. Het begint nu al in Gent.” (De Standaard, donderdag 2 april). Los van de bedenking dat dit de kern van een democratische praktijk lijkt, besluipt ons ook een gevoel van schaamte bij het lezen van de opiniebijdrage van onze bekende professor. Dezelfde  schaamte overviel ons toen Jan Leyers voor zijn TV-programma “De Schaduw van het Kruis” in het centrum van Caïro een jonge moslima vroeg of ze soms geen zin heeft om de hoofddoek af te schudden en haar schoonheid te tonen (alsof islamitische klederdracht in het teken staat  van het verbergen van schoonheid is).

Is het niet dringend tijd dat de zelfbenoemde ‘verlichtingsadepten’ zelf es hun hoofddoek (of oogkleppen) afschudden? Als verlichting staat voor het onophoudelijke proces om van vrijheid en gelijkheid een concrete praktijk te maken, lijkt dit soort van eindpunt-denken daarvan de antipode. De Grote Waarheid is terug. Vermeersch vertolkt er een quasi-Goddelijke rol, met een verregaande ontkoppeling tussen diversiteit in levensbeschouwing en de reëel bestaande samenleving. Daardoor missen Vermeersch en consoorten de trein om aan de slag te gaan met diversiteit en verschil in de stad, dat nochtans als sociaalruimtelijk labo kan dienen daarvoor. In navolging van “de Gentse Lente”, waar de woorden allochtoon en autochtoon werden geschrapt in het streven naar inclusief burgerschap, is het aanpakken van het hoofddoekenverbod via een burgerinitiatief van onderuit de volgende logische stap om dit samenlevingsexperiment verder te zetten. Centraal in deze Gentse lente is dat alle burger onvervreemdbare en dus gelijke rechten hebben. Dat betekent natuurlijk ook het recht op een religie en die te beleven in het openbaar zoals de mensenrechten het omschrijven.

Zoek de moslima?

Onderliggend aan de idee van het mensenrecht op godsdienstvrijheid is natuurlijk dat niemand het individu kan opleggen wat hij of zij moet geloven. Willen we religieuze en levensbeschouwelijke overtuigingen begrijpen in deze moderne maatschappij, dan moeten we in de eerste plaats de betrokkenen zelf begrijpen. Zij bepalen wat ze geloven en hoe ze geloven. In de standpunten van Vermeersch, hoe helder theoretisch-abstract ze ook zijn opgebouwd vanuit de veilige ivoren toren of de comfortabele filosofenzetel, zijn die gelovige burgers volledig afwezig. Van enige handelingscapaciteit of strategische keuzes bij moslima’s is geen sprake. In de tekst van Vermeersch lijken gelovige moslima’s ‘kuddedieren’ (excusez le mot) die slaafs op een eenduidige manier hun islamistische doctrines volgen. Vermeersch gooit graag zijn degelijk studiewerk in de ring. De vraag is natuurlijk welke studie hier werd gedaan? De heer Vermeersch heeft geen enkele wetenschappelijke publicatie op zijn naam staan die onderzoek doet naar de identiteitsbeleving van moslima’s. De ervaringen van Karin Heremans inbrengen als gedegen studiewerk schieten dan ook schromelijk tekort in deze. Zijn focus ligt vooral op “grondige” tekstexegese van de Koran en Hadith, aangevuld met uitspraken van welbekende imams. Wat ontbreekt is grondig sociologisch onderzoek naar hoe burgers omgaan met het dragen van de hoofddoek of hun geloofskeuze zien. Dit onderzoek is nochtans wel voor handen, en toont een enorme diversiteit die niet beantwoordt aan "de onbewuste onderdrukte moslima".

In 1994 deden de sociologen Françoise Gaspard en Fahad Khosrokhavar onderzoek naar de betekenis die moslima’s gaven aan het dragen van de hoofddoek. Hun onderzoeksinteresse was gewekt door de toenemende aanwezigheid van de hoofddoek op Franse scholen, en specifiek door 3 moslimmeisjes die werden geschorst van een school in Creil in Noord Frankrijk in september 1989. De onrust van hogerhand over de vereenzelfbaarheid met republikeinse waarden kreeg een startschot. Zelfs Koning Hassan van Marokko zou interveniëren. Dit zou leiden tot het boek “Le Foulard et la République” in 1995. De onderzoekers kwamen tot de conclusie dat de hoofddoekdraagsters onder te verdelen zijn in drie groepen die verschillende redenen hebben om die te dragen. Belangrijk is dat geen van de groepen beantwoordt aan het beeld van de hulpeloze moslima die gedwongen wordt door de gemeenschap en ouders die vastklitten aan hun geloof en tradities, noch aan een essentiële karakteristiek van moslims die hen weerhouden om aan deze samenleving te participeren.

De eerste groep die de onderzoekers aantreffen zijn vrouwen uit volgmigratie van de jaren ’60. De hoofddoek staat voor hen voor een religieus maar ook ‘etnisch’ symbool die hun identiteit markeert. Deze zijn een kleine minderheid. De tweede groep was een groep die druk ervaart vanuit de gemeenschap of familie, en de hoofddoek gebruikt als negotiatiemiddel om studies verder te zetten om verder werk te vinden. Eens hun studies zijn afgelopen gaven velen van hen aan de hoofddoek niet langer te zullen dragen. De groep werd “de lakse dragers” genoemd. De derde groep koos ervoor de hoofddoek te dragen als identiteitsmarker, los van het feit of hun moeder de hoofddoek draagt of er zelfs negatief tegenover staat. Het gaat vooral om adolescenten die goed opgeleid zijn en contact hebben met moslimorganisaties. De doelstelling is een erkenning van hun identiteit in de maatschappij en publieke sfeer, wat het dragen van de hoofddoek “een politiek statement” maakt. Het gaat dus niet om onderwerping, zoals de exegetische lezing klinkt, maar als een middel om de maatschappelijke onderdrukking en ontkenning tegen te gaan. De hoofddoek geeft hen de legitimiteit die hen moreel wordt ontkend in de maatschappij en zelfs in hun eigen gemeenschap. Ze zien zichzelf als deel van de Franse politieke gemeenschap met een dubbelidentiteit van “moslim-Frans”.

Andere vergelijkende sociologische studies zoals die van Werner Schiffauer, Gerd Bauman, Riva Kastoryano, Steven Vertovec ea. in het boek “Civil Enculturation: Nation-State, School and Ethnic Difference in the Netherlands, Britain, Germany and France.” (New York: Berghahn Books, 2004) en het boek “Des filles comme les autres.” (2004) van Alma Levy, Lila Levy, Yves Sintomer en Véronique Giraud bouwen daarop voort. Deze onderzoekers komen bovendien tot de conclusie dat neutraliteit en het maatschappelijke project in scholen sterk beïnvloed zijn door de nationale context van elk land, en dat er niks exceptioneels is aan moslimmeisjes, hun toekomstdromen, wensen en verlangens. Onderzoekers stellen wel vragen bij het uitsluitende ‘effect’ van strikte neutraliteit, niet alleen voor moslimmeisjes die weigeren de hoofddoek af te zetten, maar ook voor de Sikhsmannen voor het dragen van hun keskis’ tulbanden. Wat heeft een overheid of zijn onderwijsproject te winnen in zijn streven naar inclusief burgerschap bij het uitsluiten van (jonge) burgers die inherent deel uitmaken van dat toekomstig maatschappijproject?

De vervlechting tussen religie en maatschappij

Niet alleen de bewust denkende en-handelende personen zijn afwezig. Het ontbreekt ook aan een bredere maatschappelijk analyse. Al leven we onontkoombaar in tijden van globalisering en superdiversiteit, toch lijkt dit niet doorgedrongen in de hoofden en geesten. Vermeersch verwijst naar het Stasi rapport in het Republikeinse Frankrijk. De Franse commissie ‘Stasi’, geleid door Bernard Stasi -een voormalig Frans en Europees Parlementslid- zomaar overplanten naar dit land is een gecontextualiseerde zet; zowel in ruimte als in tijd.

(1)    De ruimtelijke mis-match

Republicanisme behoort historisch tot de Franse staatstraditie en leidt tot evenveel problemen als oplossingen. Dit zomaar aanhalen in Belgische context is een tang op een varken. Staatstradities en maatschappelijke ideologieën zijn geen “cut and paste” instrumenten. Er valt veel te zeggen over het rapport Stasi waar Vermeersch naar verwijst en het minder bekende ‘rapport Dembré’. Al benoemen beide rapporten terzelfdertijd "de mogelijke radicalisering en de bezorgdheid voor het terugplooien op eigen gemeenschapsidentiteiten", toch wijten ze dit in de analyses grotendeels aan de sociaaleconomische ongelijkheid in de samenleving, de discriminatie, het tekort aan jobs en slecht onderwijs, enz...
Vreemd in deze rapporten is de zet om deze sociaaleconomische problemen, die grotendeels te maken hebben met ongelijke ruimtelijke ontwikkeling en discriminatie, uitsluiting en racisme, op te lossen met een nationaal-republikeins beschavingsoffensief. Eerlijk gezegd namen de commissies wel dezelfde maatregelen naar alle religies toe, en vooral gefocust op zichtbare religieuze en levensbeschouwelijke tekens. Ook het Europese Hof voor de Rechten van de Mens oordeelde dat de Franse Staat geen wettelijke grenzen overtrad. Het VN mensenrechtencomité oordeelde dan weer dat er sprake was van discriminatie in Frankrijk in de zaak ‘Bikramjit Singh tegen Frankrijk’. Niet het principe van laïciteit wordt in vraag gesteld, wel of dit een inherent een verbod vereist op het dragen van religieuze kentekens voor leerlingen, en of er wel “concrete problemen” zijn die hier aanleiding zouden toe geven. En toch, meer nog dan “het de jure recht” is het de vraag of deze aanpak rechtvaardig is, billijk en vooral of de effecten ervan in de samenleving niet uitermate nefast zijn? De spanningen en "ontploffingen" in de banlieues van Parijs zouden het falen aantonen van dit beleid. Wat Vermeersch deelt met deze rapporten is de weigering om te focussen op de realiteit van vandaag. In de geest van Vermeersch is wat Dé Koran zegt (alsof die niet geïnterpreteerd wordt door moslims zélf?) het enige relevante in het beoordelen van moslims die in het hier en nu leven. De stem van de moslimvrouw wordt enkel maar opgevoerd als een dwaling in de retoriek van Vermeersch. En laat dat nu ook het probleem zijn met de beide rapporten uit Frankrijk. Beide rapporten roepen veel contestatie op omdat vrouwen met de hoofddoek teveel buiten de nochtans meer dan 100 publieke consultaties werden gehouden.
 
(2)  De temporele ‘mis match’

De ‘mis match’ in tijd heeft te maken met de specifieke globale veranderingen en gebeurtenissen die een rol speelden in de toenemende bezorgdheid rond de aanwezigheid van hoofddoek en “hidjab” in Frankrijk, en bij uitbreiding bij ons en andere Europese landen. Tegen einde ’80, begin de jaren ’90 heerst een politiek debat over de aanwezigheid van Islami(s)tische groeperingen op internationaal niveau. Islam-gerelateerde tekens zijn meer publiek aanwezig op het internationale toneel, maar ook in de wereldwijde diasporagemeenschap. Eind de jaren ’80, begin de jaren ’90 steekt bovendien een nieuw paradigma de kop op over de onverzoenbaarheid van de islam en het Westen. Denk maar aan de uitspraak van Willy Claes die zei dat het moslimfundamentalisme de grootste bedreiging voor Europa vormde of Samuel Huntington die het had over de “botsende beschavingen”. (Maly, 2007 & 2009; Fadil, 2009 in Mo magazine) . Onder andere de confrontatie met het extremisme van de FIS en GIA en de Rushdie-affaire spelen een belangrijke rol hierin. Samuel Huntington had het in 1993 over de botsende beschavingen. Toch zou de nadruk daarop zou pas rond 2001 doorslaggevend worden. Paul Scheffers’ discours zou na de gebeurtenissen van 9/11 de bekende slogan inzetten ’Het multicultureel samenlevingsmodel is failliet!’ Andere gebeurtenissen zoals de moord op Theo van Gogh in 2004, de zogenaamde mp3-moord op Joe van Holsbeeck in april 2006 - de eerste foute reacties spreken van Marokkanen als daders en de oorzaak het islamosocialisme van de PS en multiculti’s- en de reacties tegen de Deense Mohammed cartoons en Fitna van Geert Wilders in 2008. Zelfverklaarde hardcore secularisten zoals Geert Van Istendael, Benno Barnard en zelfs Luckas Van Der Taelen in zekere zin zouden in het kielzog van de strijd tegen politieke correctheid volgen om “de Islam” en de problematische cultuur van moslims op hun nummer te wijzen. Het zijn die gebeurtenissen waardoor zich een criminalisering van de ander doorzet (Naar Ico Maly, 2009). Lees gerust het ENAR-rapport na van 2011-2012 over racisme en islamofobie om te zien wat de ernst van de situatie is, of het Amnesty International onderzoeksrapport van 2012 wat het effect is van het hoofddoekenverbod op toegang tot de arbeidsmarkt -ook in België (Blz. 33-39)-, en ongeveer alle andere levensdomeinen.

Kortom, Vermeersch beperkt zich tot een meestal nauwgezette en simplistische exegetische lezing van dé Islam. Geloof ontvouwt zich niet in een vacuüm, maar is verbonden met de geglobaliseerde maatschappij. En steeds meer ontwikkelen jongeren een religieuze identiteit in een geglobaliseerde peergroup. We geven dhr Vermeersch dan ook de raad om eens in Youtube te zoeken naar Hijabista’s. Hij zal daar een heel rijke, wereldwijd georganiseerde community ontmoeten van fashionable moslima’s. Als de heer Vermeersch echter liever wetenschappelijk materiaal nuttigt over hoe moslima’s in de 21ste eeuw identiteit opbouwen, dan raden we hem het onderzoek van Jan Blommaert en Varis aan over Hijabista’s (http://www.kifkif.be/actua/how-to-how-to). De vraag is nu maar of prof. Vermeersch hier wel oren naar heeft. Het is toch maar toevallig hoe het bewustzijn van moslima’s en hun keuzes telkens in vraag worden gesteld. Het concept van ‘het vals bewustzijn’ is reëel, maar zijn we niet allemaal daar onderhevig aan? In hoeverre bent u zich wel bewust van de keuzes die u of uw omgeving voor U maakt beste Etienne? 

Vermeersch zou een evident sociaalwetenschappelijk gegeven eens moeten in rekening brengen: “Mensen leven in een maatschappij.” Dat wil zeggen dat mensen in hun geloof ook maatschappelijk meedenken en -handelen. Veel katholieken zijn én gelovig, maar kunnen niettemin de grondwettelijke beginselen van de rechtstaat aanvaarden, of gaan probleemloos naar de biologieles, of verwerpen veel doctrines die "hun geloof" predikt. Niet elke exegetische lezing van religie leidt tot dezelfde uitkomsten. Met andere woorden, niet elke gelovige is erop uit zijn "boek" letterlijk te volgen in elke doctrine. Niet elke katholiek zal Bisschop Leonard volgen in zijn homo-discriminerende opinies, noch zal elke moslim dat doen door de interpretatie van een bepaalde school of één specifieke  Imam te volgen. Kijk gerust es op de blogspot van de Vereniging Merhaba die homoseksualiteit binnen de Islamistische gemeenschap publiek bespreekbaar maakt. Als verwoede studax zal je er zeker wat tegensprekelijk materiaal vinden.

Back to basics?

Vermeersch doet erg dubbelzinnig over de capaciteit tot neutraal handelen: het is niet dat moslims het niet kunnen, maar toch. Het gaat om "het vermoeden van neutraliteit" aan de kant van de klant van de overheid die telt volgens Vermeersch. In België moet enkel een rechter ‘vermoeden van partijdigheid uitsluiten’, maar dat heeft niets van doen met ‘neutraliteit’ binnen de ambtenarij. Nog buiten het feit dat Vermeersch hier het juridische begrip ‘vermoeden van partijdigheid’ verwart met het begrip neutraliteit, is dit de wereld op zijn kop. Is een van die principes waarmee verlichte lieden schermen trouwens niet “het vermoeden van onschuld”? Gaan we trouwens een maatschappij bouwen op "vermoedens"? Wat dan met het vermoeden dat mensen het goed voor hebben met elkaar"? En wat dan met “vermoedens” van moslims dat ze racistisch zullen behandeld worden door een “echte” Vlaamse ambtenaar? Heeft hij of zij dan het recht op een moslim-ambtenaar? Of tellen de vermoedens van moslims niet gelijk mee met “de vermoedens” van een niet-moslims? Wat met het vermoeden dat mensen met ideologische, politieke of religieuze overtuigingen het goed voor hebben met medeburgers? Vermeersch schrijft dat hij niet zegt dat moslims niet neutraal zouden kunnen handelen, wel, "give them the benefit of the doubt". En, denk je nu echt Etienne, dat door die hoofddoek of kruis of regenboog t-shirt thuis te laten, dat mensen dan anders gaan handelen? Denk je nu echt dat wat in de geesten zit, weg is door de uiterlijke tekenen te verwijderen? Als we werknemers van de overheid op “iets” moet evalueren, dan is het in hun publieke dienstverlening naar de burgers toe. De 'neutraliteit' van het handelen meten we wél af aan de kwaliteit van de dienstverlening op zich en niet aan de perceptie van de mensen die aan het loket staan en eventueel aanstoot nemen aan een hoofddoek.

Als uitsmijter lijkt het ons belangrijk deze hele zoveelste ‘hoofddoekensaga’ open te trekken. De focus van het diversiteitsdebat is komen te liggen op religieuze en levensbeschouwelijke frontlinies, waarvan de meest recente die tussen “Islam” en “het verlichte Westen” is. Dat de aanhangers van ‘het verlichte Westen’ hier een compleet geperverteerde visie projecteren op wat radicale verlichtingsdenkers beoogden en voorstonden laten we nog links liggen. We kunnen Dhr. Vermeersch enkel maar aanraden om de werken van Jonathan Irvine Israel eens na te lezen over de radicale verlichting. Hij zal dan niet alleen merken dat het recht op Godsdienstvrijheid centraal staat bij deze (vaak atheïstische denkers), hij zal ook merken dat zij betogen dat niemand, en al zeker geen staat, die rechten kan afnemen.
Maar, laat ons het debat terugbrengen naar een werkbaar vertrekpunt: het omgaan met verschil en pluralisme in een superdiverse samenleving. Onze zorg moet daarbij niet alleen zijn hoe “absoluut neutraal” onze overheid moet zijn, maar veeleer hoe de overheid een voorbeeld kan stellen als frontlijnactor naar de hele samenleving toe. De zogenaamde “problemen met diversiteit” gaan in realiteit over persoonlijke keuzes. Die persoonlijke keuzes zijn in het huidige maatschappelijke bestel ook meer dan levensbeschouwelijk. Maatschappelijke dwang moet in alle gevallen bespreekbaar zijn- laat dat duidelijk zijn- maar omgaan met het feit dat mensen individueel of zelfs in groepsverband keuzes maken duidt op een volwassenwording van de democratische samenleving. Er worden nog achterhoedegevechten geleverd over de vraag hoe een bepaalde levensbeschouwing, levensstijl of ideologie op één lijn kan gebracht worden met de democratische beginselen. Zolang diversiteit en actief pluralisme in de praktijk niet tot racisme en discriminatie leiden, stelt zich geen probleem. Een samenleving die met diversiteit omgaat door diezelfde diversiteit uit te gommen, is een verarmde samenleving. Als een neutrale overheid ‘iets’ kan betekenen in een superdiverse samenleving, dan is het een overheid die geen ideologie, levensbeschouwing of persoonlijke keuzes verdrukt noch privileges geeft. Neutraliteit betekent dat iedereen op dezelfde manier behandeld wordt en dat de wetgever en wetgeving zo onpartijdig mogelijk zijn.
We staan, om het wat sterk te zeggen, op een kruispunt: ofwel blijven we de breuklijnen voorstellen als een onverenigbaar botsend zij en wij waardoor de frontlijn tussen beschavingen dwars door de ruimte van de stad loopt, ofwel hanteren we de stad als een platform dat de aanwezige breuklijnen en complexe claims kan her-articuleren. De stad als plaats van nabijheid is een uitgesproken ruimtelijk labo om hiermee te experimenteren. Zowel de overheid als de civiele samenleving hebben hier een voorbeeldrol te spelen.
Eens we de struikelstenen opruimen, heeft de emancipatie van onderop ook meer doorgang. Na het afschudden van het hoofddoekenverbod, kunnen we terug praten over zaken die er ook voorbij dat “verschil” toe doen: gelijke toegang tot werk, gelijke uitkomsten op basis van radicale solidariteit en herverdeling, vooruitgang op het vlak van onderwijs en gelijke behandeling door het alomtegenwoordige racisme en discriminatie aan concreet aan te pakken. Dan pas kunnen we ook praten over de algemene sociale stijging van burgers, want alleen als we er allen op vooruitgaan gaan we er ook als samenleving op vooruit.
Dus Etienne, just shake of your veil!

Auteurs: Debruyne Pascal (Ugent, Vooruitgroep), Ico Maly (Universiteit Tilburg, KifKif), Yasmina Akhandaf (Ugent, BOEH)