Wie maakt ons sportbeleid? Case van een bottom up beleidsmaker

item_left

item_right

Wie maakt ons sportbeleid? Case van een bottom up beleidsmaker

Artikel

Hoe wordt ons sociale sportbeleid gemaakt? Beslist de minister of zijn het vooral de praktijkwerkers? Ons onderzoek wijst uit dat praktijkwerkers zoals vrijwilligers en beroepskrachten cruciaal zijn in het beleidsproces. Ze zijn niet enkel beleidsuitvoerders, maar ook beleidsmakers. Ze innoveren dagelijks. Maar hun invloed is verdoken. In dit artikel leggen we uit hoe sociaal-sportieve praktijken zich ontwikkelen als het gevolg van een boeiend onderhandelingsproces tussen doelgroep- en top downbelangen. Zulke bricolageprocessen zijn onderbelicht in het onderzoek. We illustreren dit met een Brusselse case: Brussels Brazilian Jiu Jitsu Academy.

Foto: bbjja

Wie maakt sportbeleid?

Hoe wordt ons publieke sportbeleid eigenlijk gemaakt en uitgevoerd? En wie beslist? Deze vragen leven niet enkel bij praktijkwerkers, maar ook in het academisch debat. Er zijn heel wat onderzoekers die erop wijzen dat ons sportbeleid niet enkel top down vorm krijgt. Wat een minister, schepen, sportdienst of federatie beslist, is daarom nog niet wat in de realiteit wordt uitgevoerd. De Noorse onderzoeker Eivind Skille ontdekte bijvoorbeeld dat sportverenigingen bepaalde top down beleidsaccenten hooguit vertalen naar kansen waar ze zelf iets in zien. Tenminste, als ze dat beleid al kennen. Zo constateerde de Brit Thomas May samen met zijn collega's dat Engelse sportclubs niet echt op de hoogte waren van de doelstellingen die het centrale sportbeleid hen oplegde.  

Verdoken sportbeleidsmakers

Ook Michael Lipsky beargumenteerde in zijn standaardwerk ‘Street Level Bureaucracy’ dat de kern van het beleid niet enkel top down wordt gemaakt. Lipsky gaf aan dat de uitvoerders van dat beleid in de bestaande modellen van beleidsimplementatie zwaar onderschat worden.  Volgens hem is centrale spil in het beleidsvormingsproces de persoon die uitvoering geeft aan het beleid. Als uitvoerders hebben deze personen altijd de macht om beleidsingrepen te hervormen. En zo worden ze pioniers die nieuw beleid maken. Lipsky introduceerde een nieuwe term: Street Level Bureaucrats. Met deze term verwees hij oorspronkelijk naar overheidspersoneel, zoals leerkrachten en politie-agenten, die moeten inspelen op de soms conflicterende verwachtingen van burgers (en cliënten) en hun management. Al pendelend tussen de belangen van ‘de straat’ en hun opgelegde top down sportbeleid ontwikkelen Street Level Bureaucrats zelf methodes om dat conflict te ontmijnen.

Een bonte verzameling beroepskrachten

Hoewel het werk van Lipsky al van 1980 dateert, is het nog steeds actueel. Nu zijn de uitvoerders van ons sportbeleid al lang niet meer enkel onze gemeentelijke sportambtenaren. Vandaag zien we in ons sportlandschap een bonte verzameling van beroepsprofielen die ons (sociale) sportbeleid gestalte geven: sportieve jeugdwerkers, buurtsportwerkers, sportopbouwwerkers, welzijnswerkers, verenigingsmanagers, jeugdsportcoördinatoren, ... Anno 2019 bestaat ons sportlandschap ook uit beroepskrachten die werken in Street Level Organizations: al dan niet gesubsidieerde verenigingen die overheidstaken uitvoeren en zo onderhandelen tussen de belangen van het overheidsbeleid en de belangen van hun doelpubliek.

Sociaal-sportieve praktijken

Uit ons onderzoek blijkt dat dit onderhandelingsproces tussen bottom up en top down zeer ingrijpende gevolgen heeft voor ons huidige sportbeleid. Één van die gevolgen is dat er allerlei sociaal-sportieve praktijken ontstaan. Een oorspronkelijk ‘zuiver’ welzijnsinitiatief, een jeugdwerking, een sportclub of een buurtsportwerking vervelde tot een hybride sociaal-sportieve praktijk die elementen van een sportclub en sociaal werk combineert. Dat leidt tot een boeiende cocktail vol sociaal-sportieve innovatie. Op die manier realiseren deze praktijken vele doelstellingen van ons Sport voor Allen beleid. 

Toeleidingslimiet

Een voorbeeld van zo’n Street Level Bureaucrat is Dieter Truyen, de bezieler van de Brussel Brazilian Jiu Jitsu Academy (BBJJA). Deze praktijk is gesitueerd in Koekelberg, op de grens met Molenbeek. De praktijk startte in 2000 als een kleinschalig initiatief binnen Buurtsport Brussel, een ‘Street Level Organization’ die in 2017 werd ingekanteld in de sportdienst van de Vlaamse Gemeenschapscommissie. Hoewel de organisatie oorspronkelijk vooral wilde toeleiden naar verenigingen uit de buurt, ontdekte Dieter dat jongeren meer nood hadden aan een duurzame oplossing. Daarom richtte hij zelf een sociaal-sportieve praktijk op. Dieter Truyen zegt hierover: “Er werd ons gezegd dat we moesten toeleiden naar clubs uit de buurt, maar in die periode waren er amper verenigingen die een expliciete sociale meerwaarde hadden. Dus heb ik zelf de Brussels Brazilian Jiu Jitsu Academy opgestart. Vandaag bereiken we 400 leden via onze clubwerking. Tel daar gerust de 300 kinderen bij die we bereiken via middagsport. En via schoolworsteltornooien bereiken we 5000 kinderen in 80 scholen.”

Wendbaarheid gezocht

De reden waarom Dieter met de BBJJA zo veel leden aantrekt, is even eenvoudig als complex. In de negentien jaar dat Dieter in deze praktijk werkte, slaagde hij er steeds in om zich aan te passen aan de grillen van de stad. Maar hij wist zijn doelgroepbelangen ook te verbinden aan de belangen van zijn koepelorganisatie Buurtsport Brussel en de Vlaamse Gemeenschapscommissie. Dat is verre van evident, en het vraagt een grote wendbaarheid. Dieter Truyen: “Ik sta elke dag voor nieuwe verrassingen. De stad verandert constant, en door de grote armoede moet ik heel de tijd op zoek naar nieuwe oplossingen. Dat zorgt ervoor dat ik als een doelbewuste ondernemer aan sociaal sportwerk moet bouwen. Daarom moet ik heel de tijd mijn job heruitvinden.” Een illustratie hiervan is dat BBJJA plots in twee maanden tijd een nieuwe sportzaal moest bouwen.  Zonder een snelle oplossing zou dit het einde van de praktijk kunnen betekenen: “Onze toenmalige zaal werd verbouwd, dus moest ik super snel op zoek naar een oplossing. Via een ondersteuningsbudget van de Vlaamse Gemeenschapscommissie bouwden we samen met ons team een ondergrondse leegstaande garage om tot een nagelnieuwe zaal. Dat is typerend voor onze do-it-yourself methode”.

Buurtsportclubs

BBJJA is lang niet de enige illustratie die aantoont hoe beroepskrachten in sociaal-sportieve praktijken hun jobs heruitvinden en daarmee nieuw sportbeleid maken. Binnen de organisatie Buurtsport Brussel ontstonden er op die manier sinds 2001 nog een tiental gelijkaardige sociaal-sportieve praktijken die samen duizenden jongeren aan het sporten krijgen. Doordat hun methodiek steeds aan belang inwon, kwam er in de organisatie een debat op gang over het nut en de noodzaak van andere methodieken: naschoolse sport, lessenreeksen, sportkampen, … Deze buurtsportwerkers stelden zich vragen bij bestaande organisatiemethodieken (zoals toeleiding) en bouwden bijgevolg met veel persoonlijk engagement een sociaal-sportieve praktijk uit. De ontwikkeling van deze praktijken strookte wel met de missie en visie van de organisatie, maar ze ontstonden toch voornamelijk van onderuit en zonder groot ‘top down’ masterplan.

Precaire situatie

Ook buiten Buurtsport Brussel zijn er veel voorbeelden van bottom up sportbeleidsmakers die innoveren. Dat klinkt boeiend, maar hun vernieuwingsproces verloopt niet pijnloos. Het voorbeeld van BBJJA toont aan dat de precariteit ook vaak nabij is. “Ik heb constant te weinig volk en de middelen zijn schaars. Er zijn vandaag nog grote uitdagingen. We doen veel te veel werk, maar we kunnen niet anders. Want stilstaan is achteruitgaan” zegt Dieter Truyen. Veel bottom up sportbeleidsmakers geven aan dat ze op hun limieten zitten, en dat ze meer gehoord willen worden door hun federatie of het Vlaamse sportbeleid. We moeten dus op zoek naar oplossingen. Het onderzoek kan een belangrijke bijdrage doen door te verduidelijken hoe we het moeizame ontwikkelingsproces van deze beroepskrachten beter kunnen begrijpen. Een andere oplossing is om meer te investeren in ‘horizontale’ netwerkontwikkeling voor sociaal-sportieve praktijken die op gelijkaardige institutionele drempels botsen. Of we zouden simpelweg kunnen vragen aan deze praktijken om mee het toekomstige lokale, Vlaamse of internationale sportbeleid uit te tekenen. Of zoals Truyen zegt: “Het zou leuk zijn als iemand eens kwam vragen hoe ik mijn praktijk de volgende tien jaar zou verder willen ontwikkelen. Dat zou een erkenning zijn voor onze bottom up aanpak”.  Wij zijn alvast heel benieuwd naar hoe zo'n plan er zou uitzien. 

 

Deze inhoudelijke input werd mee mogelijk gemaakt via een FWO-doctoraat, uitgevoerd door Pieter Smets, met Rein Haudenhuyse en Bas van Heur als promotoren.  Dit doctoraat wordt uitgewerkt in samenwerking tussen Demos vzw en de Vrije Universiteit Brussel.