Betere ondersteuning kan uitsluiting van mensen met een handicap voorkomen

item_left

foto(c)Jan_Van_Bostraeten_Chiro

item_right

Betere ondersteuning kan uitsluiting van mensen met een handicap voorkomen

Kris

Deze keer heet hij Leander. Een kind met een handicap dat niet langer welkom is in een vrijetijdsaanbod. Het voorval haalt de pers en lokt (tegen)reacties uit (en hier). In zijn opiniestuk slaat Beno Schraepen een aantal spijkers met koppen. Maar zit het probleem niet breder en dieper dan dit zoveelste voorval? 

foto(c)konekt

Afgaand op de reactie van Scouts en Gidsen Vlaanderen moeten we eerst en vooral erkennen dat de lokale scoutsgroep verschillende inspanningen deed om Leander te betrekken bij hun werking. Ze verdienen daarvoor alle waardering. Het is ook niet ongebruikelijk dat de begeleiding twijfels uit bij de overgang naar een volgende leeftijdsgroep waarin meer autonomie verwacht wordt van de leden. Zullen ze Leander de gepaste ondersteuning kunnen blijven bieden?

Scouts en Gidsen Vlaanderen vraagt terecht om voldoende openheid en emotionele veiligheid aan de dag te leggen, zodat die begeleiders hun twijfels en onzekerheden kunnen blijven uiten. Deze nu plat kloppen met een te principiële reactie of een eenzijdige veroordeling is nergens goed voor. Bovendien spreken ook volwassenen en zelfs professionals hun twijfels uit bij inclusie: van in de buitenschoolse opvang, de sportclub tot in het onderwijs. Voldoende mildheid ten opzichte van jonge vrijwilligers is op zijn plaats.

De grond van het probleem zit ook dieper. Heel veel organisaties in onze samenleving richten hun werking nu eenmaal in met een vrij homogene groep voor ogen die ze allemaal grotendeels hetzelfde aanbod presenteren. Als iemand niet past in dat plaatje of het volledige aanbod niet aankan, dan botsen de inrichters al snel op een grens. Uitzonderingen toestaan, aanpassingen doen, maatwerk leveren… Het zijn inspanningen die vaak niet worden ingecalculeerd en die als een bijkomende last worden ervaren of waar men zich niet bekwaam voor voelt. Ook wie al inspanningen doet, zoals de groep uit Wetteren, blijft voortdurend op uitdagingen botsen als de jongere in kwestie ouder wordt, de lat hoger gaat of als de groepsdynamiek verandert.

Toch stellen we in de praktijk vast dat mensen oplossingen blijven vinden, ook als het moeilijk gaat. En als het echt niet lukt, kunnen mensen ook op een constructieve manier afscheid nemen. Voorwaarde is wel dat er voldoende ondersteuning is en een goede dialoog tussen alle betrokken partijen. Net daar loopt het nog veel te vaak mis.

Natuurlijk zijn lokale groepen autonoom. De overgrote meerderheid van de jeugdwerkingen slaagt erin om op eigen houtje – met vallen en opstaan – de meest uiteenlopende uitdagingen te tackelen: kampen, activiteiten en evenementen organiseren, conflicten oplossen, relaties onderhouden met de gemeente en buurt, enzovoort. Ze verdienen daarvoor alle lof en erkenning. Maar het is geen schande om toe te geven dat sommige uitdagingen moeilijk zijn om aan te pakken zonder extra ondersteuning.

Omgaan met verschillen kan zo’n uitdaging zijn. Ook voetbaltrainers, begeleiders in de kinderopvang, leerkrachten en universiteitsprofessoren sukkelen ermee. Het is in onze samenleving nog veel te ongebruikelijk om voor dit thema ondersteuning te zoeken. Die ondersteuning zit bovendien te ver af van de lokale praktijk. En laat ons een kat een kat noemen: ze is vaak veel te mager uitgebouwd. Het is geen belangrijke prioriteit om hier op in te zetten. Diversiteit blijft één van de vele niche thema’s waar organisaties en overheden mee bezig zijn. Ondanks jaren van ronkende uitspraken, ambitieuze visienota’s en straffe claims blijft het in de praktijk doorgaans business as usual.

Op hun beurt hebben ouders ook weinig alternatieven dan een klacht neer te leggen bij UNIA of het Kinderrechtencommissariaat. Ondanks de schitterende werking van deze organisaties, kan hun tussenkomst praktijkwerkers in hun schulp jagen. Het zegt ook iets over de frustratie en de onmacht van (ouders van) mensen met een handicap die worden wandelen gestuurd of moeten tevreden zijn met het aanbod dat ze krijgen. “Maar we blijven wel geloven in een inclusieve samenleving!”, krijgen ze nog mee, terwijl ze worden uitgewuifd. Waar kunnen zij terecht? Een ‘klacht’ klinkt zo zwaar, maar welke alternatieven hebben ze dan? Het aantal brugfiguren en vrijetijdsbemiddelaars neemt toe, maar blijft een druppel op een hete plaat.

De situatie die zich aandient is niet fijn. Niet voor Leander en zijn gezin. Niet voor de scoutsgroep uit Wetteren. Jammer genoeg is dit niet het eerste voorval. En waarschijnlijk nog lang niet het laatste. Als we hier écht iets aan willen veranderen, dan moeten we beginnen met erkennen dat er een probleem is. Principieel weten we dat inclusie een goede zaak is. In de praktijk weten we dat inclusie mogelijk is, soms vanzelf maar meestal met extra omkadering. Ook op momenten waarin mensen het niet zien zitten met elkaar, zijn er oplossingen.

Maar de ondersteuningsstructuur die overheden en organisaties momenteel aanbieden aan hun lokale vrijwilligers en medewerkers op de eerste lijn is nog te ontoereikend en staat te ver af van de praktijk. Goede initiatieven, zoals het Netwerk Jeugdwerk voor Allen, worden te weinig benut. Organisaties en eerstelijnswerkers zijn soms te eigenzinnig, te koppig en te trots om ondersteuning te vragen. Maar vaker weten ze gewoon niet bij wie ze terecht kunnen of vinden ze niet de geschikte expertise. En - tot vervelens toe - dat betekent niet dat vrijwilligers moeten professionaliseren om inclusie aan te kunnen. Er is niemand die dat ooit heeft beweerd of gevraagd, dus laten we alsjeblieft ophouden met dat als doembeeld naar voor te schuiven.

Vrijwilligers laten zich nu al ondersteunen over allerlei onderwerpen. Het maakt hen net sterker. Professionals kunnen vaak veel leren van de drive en het enthousiasme van jonge mensen. Veel kennis en knowhow zit net verkokerd per sector, terwijl de noden in de praktijk vaak gelijklopen tussen jeugdwerk, sport en cultuur, maar ook met die van de buitenschoolse kinderopvang en het onderwijs.

Als ze het ernstig menen met inclusie, dan moeten organisaties en overheden hun verantwoordelijkheid niet afwimpelen op de draagkracht van de vrijwilligers en de medewerkers op de eerste lijn. Op hen schieten, maar even goed schermen met hun draagkracht en autonomie is té simpel. En het brengt ons geen centimeter vooruit. We blijven rondjes draaien. "We doen ons best", klinkt het dan. Werkelijk? Is vrijblijvend stimuleren echt het enige wat koepels en ondersteuners kunnen doen?

Een ernstig zelfonderzoek is aangewezen over de omkadering die organisaties en overheden bieden aan vrijwilligers in het jeugdwerk en de sportclub, aan begeleidsters in de buitenschoolse opvang en aan leerkrachten op school. Zolang organisaties en overheden dit niet onder ogen zien, zullen nog veel Leanders geweigerd worden, met alle pijnlijke gevolgen van dien. Die zijn pijnlijk voor alle partijen, maar in de eerste plaats voor de persoon met een handicap en zijn omgeving. En dat terwijl het ook helemaal anders kan lopen.