Vrije tijd en beperking

 

Hoe kijken we vanuit Demos naar de vrijetijdsbesteding van personen met een beperking? Hierbij geven we kort onze analyse weer. Voor een meer diepgaande analyse verwijzen we naar onze publicatie 'Vrije Tijd, In en Uit Zorg. Exploratief onderzoek naar de vrijetijdsparticipatie van personen met een beperking'.

Vanuit de welzijnssector: een beweging naar ‘vermaatschappelijking’

In november van 2013 vroeg de toenmalige Minister van Welzijn Van Deurzen in een omzendbrief aan de lokale besturen om meer aandacht voor de vermaatschappelijking van de zorg. Hij toont zich daarin een voorstander van een ‘hogere betrokkenheid van de lokale samenleving bij de ondersteuning van de zorgvrager en meer aandacht voor vrijwilligerswerk en buurtwerk.’  Goede zorg is volgens hem geen zaak van de welzijns- en gezondheidssector alleen: “Er is een geïntegreerde benadering nodig. Ook andere beleidsdomeinen zoals werk, wonen, onderwijs, cultuur en sport dragen bij tot welzijn en gezondheid.”

Het is onze indruk dat de beweging richting vermaatschappelijking momenteel vooral vertrekt vanuit de welzijnssector. Zo zien we binnen welzijn een grotere aandacht voor individuele trajectbegeleiding richting de zogenaamde ‘reguliere’ vrijetijdsbesteding. We zien daarin mooie projecten en initiatieven ontstaan en netwerken groeien, maar dat neemt niet weg dat ‘vrije tijd’ binnen de zorg voor personen met een beperking in zijn geheel een lage - zo niet de laagste - prioriteit blijft bekleden. Ondersteuning richting een volwaardige en ‘vermaatschappelijkte’ vrijetijdsbesteding blijft een klein en eerder marginaal gegeven binnen de zorg. Bovendien klinkt er ook een tegenstem die ervoor pleit om binnen welzijn een apart vrijetijdsaanbod met een duidelijke zorgcomponent te blijven organiseren. Ook blijft er een reële nood bij personen met een beperking om elkaar te ontmoeten en om de banden met gelijkgestemde zielen te versterken.

Vanuit de vrijetijdssectoren: urgentiebesef om personen met een beperking ‘vanzelfsprekend’ op te nemen en te bereiken blijft laag

In de bredere maatschappij leeft er op z’n zachtst gezegd weinig urgentiebesef om ruimte te creëren voor personen met een beperking. We zien verschillende oorzaken.

  • Ook al geven ongeveer zes op tien mensen aan dat ze iemand met een beperking kennen in hun (onmiddellijke) omgeving, toch verdwijnen deze mensen in het dagelijks leven ‘van de radar’ omdat ze terecht komen in een parallel (zorg)circuit. Ze worden wel eens de onzichtbare burger genoemd. Het netwerk van personen met een beperking en het netwerk van het vrijetijdsaanbod vertoont dan ook zelden raakvlakken – tenzij eerder toevallig, bijvoorbeeld via een familieband. Beiden moeten dan ook expliciete stappen zetten om hun netwerk richting de ander uit te breiden en dat gebeurt niet spontaan. 
  • Bovendien vormen personen met een beperking een zeer diffuse en zeer heterogene groep. Er zijn tal van subgroepen met elk een (iets) andere problematiek en het gaat daarbij lokaal telkens over een klein aantal mensen. Bovendien vergen sommige aanpassingen een relatief grote investering, zodat men zich vragen stelt over de return on investment. Bovendien is een aanpassing aan de ene subgroep soms volledig onbruikbaar voor een andere subgroep. En één aanpassing op zich leidt zelden tot het verhoopte resultaat. Want om te komen tot een effectieve deelname moeten er veel voorwaarden vervuld zijn. Men spreekt in dit verband over de keten van toegankelijkheid, die – u kent het gezegde – zo sterk is als z’n zwakste schakel.
  • Het zorg-, onderwijs- maar ook het vrijetijdsaanbod voor personen met een handicap wordt dan ook meestal georganiseerd op bovenlokaal niveau. Qua kosten-baten lijkt dit logisch, maar op die manier verliezen lokale gemeenschappen de band met personen met een beperking en omgekeerd.
  • Al langer wordt binnen jeugd, cultuur en sport aandacht gevraagd voor de participatie van mensen in armoede en voor mensen met een migratieachtergrond. Mensen met een beperking zijn soms een relatief ‘nieuwe’ doelgroep ‘die er ook nog eens bij komt’. De doelgroep wordt gepercipieerd als complex en aanbieders van vrije tijd zien zichzelf als onvoldoende competent om de specifieke ondersteuning te bieden waarvan men vermoedt dat ze nodig is. Aanbieders krijgen soms ook verwarrende signalen. De ene keer krijgen ze te horen dat het niet zo moeilijk is om hun werking toegankelijk te maken, de andere keer luidt de boodschap dat ze mensen met een beperking beter overlaten aan gespecialiseerde organisaties.
  • Lang niet alle personen met een beperking en/of hun netwerk zijn vragende partij om deel te nemen aan het ‘gewone’ maatschappelijke leven. Ze hebben niet geleerd om erin te functioneren, hebben schrik om negatieve ervaringen op te lopen en/of werden al (meer dan) eens afgewezen. En de vraag is ook of onze competitieve, gejaagde en sterk geïndividualiseerde maatschappij op zich wel zo’n goeie plek is voor wie kwetsbaar is. Maar ook die personen (en/of hun netwerk) die wel veerkrachtig zijn en hun plaats in de ‘gewone’ maatschappij willen verwerven, botsen ook nog vaak op muren in het onderwijs, op de arbeidsmarkt, op vlak van huisvesting, etc., zodat ze soms niet veel fut meer hebben om er in de vrije tijd ook nog eens tegenaan te gaan. Ze mogen dan nog de antidiscriminatiewetgeving aan hun kant hebben, ze hebben niet altijd de nodige energie, strijdlust of hulpbronnen om hun rechten ook effectief te laten gelden.

Vrijetijd van personen met een beperking: tussen wal en schip

En zo vallen mensen met een beperking op vlak van vrije tijd tussen twee stoelen: tussen een welzijnssector die moeilijk aan ‘vrije tijd’ toekomt en een vrijetijdssector die moeilijk toekomt aan ‘personen met een beperking’. Het gevolg is er dan ook naar. Zowel in als uit de zorg hebben mensen met een beperking bitter weinig kans op een vrijetijdsbesteding waarbij ze kunnen kiezen wat ze doen, waar, wanneer ze dat willen, laat staan met wie. En dat terwijl ruimschoots is aangetoond in welke mate vrijetijdsbesteding kan bijdragen tot kwaliteit van leven.