Ruimte maken voor een gelijker speelveld

item_left

item_right

Ruimte maken voor een gelijker speelveld

Artikel

 Beeld: stampmedia

Ons vrijetijdslandschap is geen machtsvrije ruimte. In ons vorige artikel ‘ruimte claimen in een ongelijk speelveld’ toonden we dat er allerlei organisaties zich eerder in de periferie van de cultuur-, jeugd- en sportsector bevinden. We noemen hen ruimteclaimers omdat ze een plek opeisen in het sectorale landschap. In dit artikel tonen we hoe ruimtemakers een betekenisvolle rol spelen om te komen tot een gelijker speelveld.

Welke lacunes vullen ze in en hoe geven ze ondersteuning aan ruimteclaimers? Hoe verhouden ze zich tot nieuw bottom up initiatief dat zich vanuit de periferie ontwikkelt? Welke basishouding nemen ze aan, en welke competenties heb je nodig om ruimteclaimers te ondersteunen?

Vrijetijdslandschap is niet neutraal

In het vorige artikel toonden we aan dat overal in Vlaanderen ruimte claimende organisaties en individuen opduiken die een plaats aan tafel opeisen. Al doende creëren ze een cultuur-, jeugdwerk- of sportaanbod voor doelgroepen die weinig aansluiting vinden tot het aanbod van meer gevestigde organisaties. Daarbij stelden we vast dat ruimteclaimers vaker verstoken blijven van subsidies en andere vorm van steun. Het zijn vaak praktijken die er zonder structurele subsidies in slagen om aansluiting te vinden bij het doelpubliek dat ze bereiken. We toonden aan dat ruimteclaimers steun en erkenning vragen voor hun pionierswerk, en dat ze tegelijk botsen op weerstand. Hun aanpak en methode wordt niet overal gewaardeerd. Soms concluderen ze daaruit dat ze hun praktijk beter ontwikkelen buiten het gesubsidieerde circuit, vanuit een onafhankelijke positie.

Ruimtemakers

Ondanks het feit dat er vandaag in ons vrijetijdslandschap nog veel ongelijkheid is, zien we dat er binnen dat speelveld ook diverse ruimtemakers opereren. Het gaat over personen en organisaties die op een gevarieerde wijze zuurstof geven aan het straffe initiatief van ruimteclaimers. Op diverse manieren gaan ze aan de slag om de kloof tussen centrum en periferie te overbruggen. Hier kan een persoonlijk motief aan voorafgaan: ze voelen zich persoonlijk geïnspireerd door het werk van een ondervertegenwoordigde praktijk. Voor andere ruimtemakers zijn de motieven ruimer te situeren. Ze zien dat de status quo in het vrijetijdslandschap niet evenwichtig is, en beschouwen het als een ruimere missie om te strijden voor een gelijker speelveld. 

Vaak start dit proces van ruimte maken bij een persoon die in een meer gevestigde organisatie een vorm van kapitaal bezit. Ze vertegenwoordigen bijvoorbeeld een overheid, een financieel draagkrachtige organisatie of ze hebben een zekere symboolfunctie of zichtbaarheid verworven. Kenmerkend voor deze ruimtemakers is dat ze erin slagen om ruimteclaimers te ondersteunen. Dat is vaak een persoonlijke keuze die gebeurt vanuit de vaststelling dat ze met die ondersteuning een verschil kunnen maken. Maar het kan ook een keuze of strategie zijn van de organisatie of dienst.  Ruimtemakers zijn vaak mensen en organisaties die een bepaalde vaardigheid of macht inzetten om de status quo in het vrijetijdslandschap te heroriënteren. 

Wat ruimtemakers doen

Wat steeds terugkomt is dat ruimtemakers hun invloed of macht gebruiken om een bepaald machtsonevenwicht te (trachten) balanceren. Ze leggen hun gewicht in de schaal om mee het verschil te maken. Ze zien het potentieel van ruimteclaimers, en zoeken naar manieren om zich nuttig te maken voor hen. Ze steken dus uitdrukkelijk hun nek uit om de ambities van ruimteclaimers waar te maken, al kunnen die natuurlijk ook perfect samenvallen. Dat is meestal in de eerste plaats het gevolg van een weldoordachte individuele keuze, en soms wordt die persoonlijke keuze ook bekrachtigd door de organisatievisie waarvoor ze werken.

Hoe ze dat verschil maken kan sterk verschillen. Sommige ruimtemakers staan dicht bij het politieke besluitvormingsproces en proberen daarop te wegen. Anderen zorgen voor een financiële ademruimte door te helpen met het schrijven van een subsidiedossier, het zoeken van sponsors of zelf mee te investeren.

Bijvoorbeeld (cultuur): In het Cera Impulstraject VPKJ zien we een mooie samenwerking tussen twee participatieve kunstprakijken en een meer gevestigde speler uit het kunst-en cultuurlandschap.  Jong Gewei, een artistiek platform voor jonge wolven,  en Platform-K, een danswerkplek voor personen met een beperking, gaan voor drie jaar in residentie bij het meer gekende kunstencentrum Vooruit. Van daaruit bouwen ze hun werking verder uit. Ze kunnen voor 3 jaar gebruik maken van kantoor- en repetitieruimte en Vooruit coproduceert en presenteert projecten van Jong Gewei en Platform-K.

Bijvoorbeeld (sport): Roel Noukens was bij Buurtsport Brussel jarenlang collega van Nsimba Batote, de trekker van een Brusselse sociaal-sportieve praktijk die zich specialiseert in een mengvorm van vechtsporten. Als collega en clubondersteuner hielp Roel Nsimba bij de opmaak van subsidiedossiers en bij vertegenwoordigingsgesprekken met het lokale beleid. De chemie werkte en ook na zijn professionele job als ondersteuner bleef Roel in zijn vrije tijd betrokken als schrijver voor dossiers, als bruggenbouwer naar het beleid en als adviseur voor Nsimba.

Bijvoorbeeld (cultuur): Zomer van Antwerpen geeft de inhoudelijk-programmatorische kant van dit festival steeds meer in handen van nieuwe, stedelijke netwerken. Twee maanden lang biedt de Zomerfabriek een overvolle agenda aan workshops, street parcours, dance battles en spoken word. De curatoren en jonge artiesten worden professioneel omkaderd en eerlijk vergoed. En die aanpak werkt, ook op het niveau van het publiek: op enkele jaren tijd is het percentage van festivalbezoekers met een migratie-achtergrond toegenomen van 5 procent naar meer dan 35 procent. 

(lees verder onder de foto)

beeld: stampmedia

Zichtbaarheid genereren

Veel ruimtemakers zien het als hun kerntaak om zichtbaarheid te geven aan het straffe initiatief van ruimteclaimers. Ze merken het signaal van relevante praktijken op en ze zien het als een missie om kenbaarheid te geven aan dat werk. Dat is een manier om erkenning te geven, want ze stellen vast dat organisaties uit het centrum er niet in slagen om de cultuur-of vrijetijdsbeleving van bepaalde groepen in onze maatschappij te zien.

Want al te vaak horen ruimteclaimers ironisch genoeg dat ze eigenlijk niet (mogen) bestaan. Die onkunde of onwetendheid stuit meer en meer op weerstand en frustraties. Woordkunstenaar Elisabeth Severino Fernandez zegt in dit artikel: “Kom mij niet vertellen dat je ‘hen’ niet vindt. Er is ongelooflijk veel talent. Je moet het herkennen als het er staat en dan kunnen zeggen: dit is goed.”  

We zien dat veel ruimtemakers iets willen veranderen door andere stemmen aan het woord te laten. Ze zien dat het op werkgroepen, studiedagen, panels en podia nog te vaak dezelfde stemmen zijn die het woord voeren. In de plaats daarvan kiezen ze voor een collega of praktijk die minder vertegenwoordigd is. Bie Van Craeynest wierp in haar opiniestuk op dat ze een hele fichebak vol interessante contacten aan het woord wil laten, in de plaats van altijd dezelfde usual supsects te horen en lezen:   

“‘We willen wel, maar we vinden ze niet’. Ik vind dat gek. Ik heb namelijk een mentale fichebak vol vrouwen, mensen met een andere achtergrond, jonge mensen, die welbespraakt, geëngageerd en beschikbaar zijn. Laag-en hoogopgeleid. Discrete zachte stemmen en luide roepers. Ze zijn er. Ze bestaan. Ze nemen het woord op hun eigen podia en samenkomsten. (…) Ik wil wel volk optrommelen. Liever dan in een volgend panel te zitten, wil ik wel in mijn fichebak laten graaien. Iedereen mag er gratis en voor niets uit komen vissen.”                              

Daadkrachtige basishouding

Je kan als ruimtemaker op heel diverse wijze werken aan een gelijker speelveld. Maar wat steeds terugkomt is dat ze het vermogen hebben om effectief iets te betekenen voor het werk en de plannen van ruimteclaimers. Ze zien het als een verantwoordelijkheid om hun invloed te gebruiken om bijgevolg te strijden voor een gelijker speelveld.  Ze hebben een vlotte pen en schrijven een artikel of subsidiedossier. Ze leggen een brug naar een waardevolle sponsor. Ze gaan mee voor een bemiddelend gesprek met een organisatie omdat het contact fout liep. Ze bieden gratis repetitie- of stockageruimte. En ga zo maar door.  

VoorbeeldTIMISS wil jonge mensen de kans geven om een publiek te ontmoeten door hen een platform te bieden. Ze werken vanuit de ‘underground’ naar de stedelijke ruimte toe. Op dit ogenblik werken ze bij Zinnema, een Brussels Talentenhuis, waar ze logistieke en infrastructurele steun krijgen. Timiss zoekt steeds samenwerkingen op met organisaties en ‘instituten’, zoals ze dat zelf noemen. Maar dikwijls botsen ze hierbij op muren. Meestal komt een vraag tot samenwerking van buitenaf en via één persoon die niet noodzakelijk de steun van de hele organisatie mee heeft. Mouss van Timiss roept op om een andere manier van samenwerken aan te gaan, om hen niet louter uit te nodigen om moeilijk bereikbare groepen toe te leiden naar deze organisaties. Ze vragen om niet meer ingeschakeld te worden voor korte termijnprojecten. De jongeren hebben achteraf het gevoel vergeten of ‘gebruikt’ te zijn, dat werkt demotiverend. Ook voor Timiss is het noodzakelijk om lange termijn samenwerkingen aan te gaan, zodat ze kunnen groeien als organisatie. Een mooi voorbeeld is hoe Citylab hen voorstelde om een show te brengen op een festival. Citylab, een Brusselse artistieke broedplaats die verbonden is aan gemeenschapscentrum De Pianofabriek,  kon geen financiële steun bieden, maar wel een contract met structurele en productionele steun. Anderhalf jaar lang hielpen ze hen met ruimte zoeken.

Je kan als ruimtemaker dus best nagaan hoe je om steun kan realiseren aan ruimteclaimers. Daarbij hoef je niet altijd noodzakelijk de strafste proceswerker zijn, maar vooral iets in de schaal kunnen leggen dat oplevert voor ruimteclaimers. Tegelijk valt het op dat de strafste ruimtemakers erin slagen om zichzelf geloofwaardig maken door een integere basishouding.  Ze zijn niet te beroerd om kritisch te kijken naar de onvolmaaktheden van hun eigen machtspositie. En ze handelen ernaar. Ze hebben het vermogen om zich gelijkwaardig op te stellen en hun respect ruimteclaimers is ook niet gespeeld. Authenticiteit kan immers niet gespeeld zijn.

Niet een beetje

Tegelijk valt op dat het hele proces van ruimte maken verre van evident is. Regelmatig krijgen we echo’s die signaleren dat het best veel energie vraagt. Zowel in de eigen organisatie als daarbuiten ondervinden ruimtemakers vroeg of laat dat ze geen ongelimiteerde macht hebben om zaken te veranderen. Gaandeweg ondervinden ze dat het introduceren van nieuwe expertise en belangen op weerstand botst. Enkele voorbeelden: het publiek dat hun organisatie doorgaans bedient laat zich kritisch uit omdat ze plots moeten rekening houden met andere belangen en doelgroepen. Collega’s zijn sceptisch over een nieuwe projectwerker die meer op het terrein zit dan op het bureau. Een sportzaal wordt al sinds oudsher aan een andere sportclub verhuurd dan die beloftevolle groep breakdancers zonder zaal uit de buurt, en je krijgt de vroegere gebruikers er ook niet zomaar buiten.

Op zich is die weerstand begrijpelijk, want het proces van ruimte maken gaat nu eenmaal ten koste van terrein dat reeds door andere mensen, methodes en gewoontes wordt ingenomen. Er speelt ook vaak een machtstrijd tussen gevestigde en nieuwe spelers. Mensen en organisaties die écht willen ruimte maken, beseffen dan ook dat het niet enkel ‘een beetje’ kan. Het is een proces dat onlosmakelijk ook een grote invloed uitoefent op de communicatie, beslissingsprocessen, personeelskader en het bestuur van organisaties. Maar tegelijk beseffen ze dat het de moeite loont om er zo veel energie in te steken.

Voorbeeld: Artforum is een erkende landelijke cultuureducatieve organisatie uit het Leuvense. Deze gevestigde waarde heeft met de jaren een reputatie opgebouwd voor het werken met en voor kinderen en jongeren in maatschappelijk kwetsbare posities. Maar tijdens het schrijven van hun beleidsplan in 2016 kwamen ze tot het besef dat er niet enkel in de cultuurwereld, maar ook in de eigen organisatie veel blinde vlekken aanwezig waren.

Op dat moment was Urban Woorden, ook een Leuvense cultuureducatieve speler, een ruimteclaimer die een antwoord bood aan verschillende van deze blinde vlekken.  Het publiek, de deelnemers die Urban Woorden bereikte, en de netwerken waarin deze organisatie zich begaf, waren nagenoeg onbereikbaar voor Artforum. 

Urban Woorden zocht als groeiende organisatie, met experimenteel karakter, al geruime tijd naar een manier om structureel erkend te worden. De grote groei aan activiteiten en budgetten werden moeilijk beheersbaar voor een werking die voornamelijk bestond uit vrijwilligers. Een meer gestructureerde werking, met betaalde werkkrachten werd een noodzaak. Bovendien had Urban Woorden de ambitie om het jeugd- en cultuurbeleid te beïnvloeden door haar aanpak en inzichten.  

Beide organisaties gingen in gesprek met elkaar en besloten te fuseren tot één organisatie.  In het proces botsten zij al snel op elkaars verschillen. Urban Woorden werd in een nieuwe organisatiecultuur geconfronteerd met beleidstaal, opgelegde registraties en systematiek waarmee ze niet vertrouwd waren. Voor Artforum was het bottom-up karakter van Urban Woorden een hele uitdaging, met name het werken in een informele context met nichegroepen en autodidactische kunstenaars.

Dat maakte de betrokkenen van Artforum erop attent dat er in al die gebruiken en regels ook zeer veel onzichtbare drempels staken, die moesten worden overbrugd. Ook het dominante referentiekader waaruit werd gedacht, moest worden in vraag gesteld. Urban Woorden zag voornamelijk een herbevestiging van de aanwezigheid van deze drempels. Beide organisaties kwamen snel tot het besef hoe groot de te dichten kloof werkelijk was. Wat volgde was een jaar vol noodzakelijk conflict. 

Ondertussen begon er wel een nieuwe energie te broeien die veelbelovend is voor de toekomst. Wat Artforum eruit leerde is dat je ook je eigen werking en organisatiecultuur grondig in vraag moet stellen. Zeker als gevestigde waarde moet je je bewust zijn van je machtspositie, en bereid zijn om die te delen. Voor Urban Woorden werd heel duidelijk welke weg de meeste organisaties nog te bewandelen hebben om de status quo te doorbreken en de jeugd- en cultuursector naar de 21ste eeuw te loodsen. Artforum had zich immers heel erg opengesteld naar Urban Woorden toe, maar moest desalniettemin op haar grondvesten daveren om ruimte te maken en zichzelf heruit te vinden. Hoeveel andere gevestigde waarden zullen bereid zijn deze uitdaging aan te gaan?  Hoe zal de overheid dit stimuleren of faciliteren? 

Wat werkt

We zien vandaag dat er in Vlaanderen heel wat boeiende praktijkverhalen zijn die aantonen dat ruimtemakers betekenisvol werk leveren voor praktijken die zoeken naar erkenning of steun. De meeste van deze cases tonen aan dat hun succes vertrekt vanuit een gelijkwaardige samenwerkingscultuur en voldoende vertrouwen tussen de hoofdbetrokkenen. We toonden in dit artikel aan dat een authentieke basishouding en een open communicatie een cruciale rol spelen om écht te ruimte maken voor zulke straffe praktijken. Maar uiteraard zijn er nog heel wat andere do’s en don’ts om zo’n samenwerking te doen slagen. Later dit jaar tonen we in het laatste artikel uit deze reeks hoe ruimtemakers en claimers naar elkaar te laten toegroeien om samen te bouwen aan een gelijker speelveld binnen cultuur, jeugdwerk en sport.